Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Campagnestrijd Tweede Kamerverkiezingen 2017

Joop van Holsteyn is bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan het Instituut voor Politieke Wetenschap van Universiteit Leiden.

Op 15 maart 2017 is de finale, dat staat vast. Op die dag van de stemming spreekt het Nederlandse electoraat zich uit over de nieuwe verdeling van zetels in de Tweede Kamer. En over de formatie van een nieuw kabinet, althans waar het enkele randvoorwaarden betreft. Immers, ook al zullen de Kamerverkiezingen waarschijnlijk in het teken staan van de nieuwe coalitie en de naamgever ervan, de Nederlandse kiezer heeft daar niet het laatste woord over. Daar gaat het niet over, bij verkiezingen van de volksvertegenwoordiging.

Een echte kiezer

Veel meer dan dat de electorale finale op 17 maart plaatsvindt, weten we, als het gaat om ‘feiten’, eigenlijk niet. Het is zo langzamerhand een open deur te beweren, dat de Nederlandse kiezer meer dan ooit een echte kiezer is, een burger die meerdere min of meer verwante partijpolitieke opties heeft en, als gebruik gemaakt wordt van het stemrecht, de uiteindelijke keuze lang wenst uit te stellen.

Bij recente Kamerverkiezingen, zo zijn de schattingen, wachtte ongeveer 15 procent van alle kiezers tot op de verkiezingsdag om de knoop door te hakken. Niet zelden pas in het stemlokaal. Voorspellen wat er feitelijk gebeuren zal, is dan ook moeilijk, zo niet onmogelijk. Zeker schrijver dezes waagt zich daar liever niet aan, na zijn opiniebijdrage ‘Veertig zetels voor TON is niet volstrekt onmogelijk’ (Trouw, 3 april 2008) en de typering van Donald Trump als een kandidaat die vroeg in de Amerikaanse verkiezingsstrijd zou sneuvelen, een ‘also-ran’, aldus een column op 8 augustus 2015 op de site van Politiek Magazine. Tja.

Terug naar de Kamerverkiezingen, vooruit naar maart 2017. In dat verband is de vraag welke partijen het goed of minder goed gaan doen allicht niet de meest interessante vraag. Een vraag die eraan voorafgaat en waarvan het antwoord met het oog op stemgedrag en verkiezingsuitslag zeker zo relevant is, is die naar de campagne. Die campagne, die zoals in Nederland gebruikelijk ‘formeel’ een periode van enkele weken beslaat maar feitelijk na het zomerreces van start gaat - hou het maar op 4 september wanneer Mark Rutte de laatste gast mag zijn in de televisiereeks Zomergasten - kan kiezers net dat duwtje de ene of andere kant op geven.

Stel er niet te veel electorale beweging van voor, van campagne-effecten, maar in een stelsel zo proportioneel en bij een electoraat zo volatiel als het Nederlandse, is een bescheiden verschuiving van enkele procentpunten een politieke aardverschuiving.

Verkiezingsonderwerpen

De strijd om de verkiezingen zal deels worden bepaald in de strijd om de campagne. Waar gaat die over, welke vraagstukken staan centraal in debat en strijd? Dat is van belang, gezien het voorname leerstuk van het issue ownership. In de politiek draait het onder meer om het benoemen, aanpakken en oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Echter, niet elke politieke partij heeft, historisch, programmatisch en bovenal in de beleving van het electoraat, een even goede naam en faam ten aanzien van alle vraagstukken. Ligt het probleem op het ene beleidsterrein, dan zijn de ogen gericht op de ene partij, terwijl bij een ander beleidsvraagstuk van een andere partij wellicht meer verwacht wordt. Werkloosheid? PvdA, eventueel SP. Onderwijsproblematiek? D66, eventueel GroenLinks. Minderhedenvraagstuk? PVV. Belastingen en lastenverlaging? VVD. Normen en waarden? CDA, eventueel ChristenUnie.

Partijen die als het ware eigenaar zijn van een specifiek vraagstuk, hebben er voordeel bij als dat vraagstuk - ‘hun’ issue - hoog op de agenda en centraal in de campagne staat. Dat kan extra aandacht en stemmen opleveren, als het lukt tenminste. Vraag de PvdA er maar eens naar, die in 2002 meende electoraal te kunnen scoren op basis van succesvol economisch beleid.

Dat vraagstuk stond toen echter even niet centraal en had bij weinigen prioriteit. Professor Pim had toen met succes andere vraagstukken gezaaid in de campagne en zijn LPF kon oogsten op verkiezingsdag. Nog geen jaar later was het beeld weer anders, met aanzienlijk meer aandacht voor problemen van economie en werkgelegenheid; niet toevallig wist de PvdA in 2003 snel uit het electorale dal van 2002 te klimmen.

De meest boeiende vraag in de aanloop naar de Kamerverkiezingen is dan ook hoe de strijd om de strijd zal verlopen. Waar gaat de campagne en daarmee de verkiezing feitelijk over? Zeg me welk vraagstuk centraal staat, en wie weet is het dan toch nog mogelijk om te voorspellen hoe het electorale lief en leed op 15 maart 2017 over de verschillende partijen verdeeld zal worden.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 29 augustus 2016.