Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Beroerde uitslag voor het kabinet

In de parlementaire geschiedenis zijn voorbeelden te vinden waarbij een breuk in het kabinet was terug te voeren na een eerdere nederlaag bij de Statenverkiezingen. Dat gebeurde in 1958, 1966 en 1982. Een wetmatigheid is dat echter niet. Er speelden altijd bovendien andere factoren mee, waardoor een breuk ontstond.

In 1958 waren PvdA en KVP op elkaar uitgekeken en bestonden al sinds 1954 in toenemende mate spanningen, in 1966 speelden zowel het geringe enthousiasme in de KVP voor samenwerking met de sociaaldemocraten als dreigende verdeeldheid in de KVP-fractie een rol. In 1982 kwam een einde aan een kabinet, dat beter nooit had kunnen worden gevormd, zowel gezien de personele als inhoudelijke tegenstellingen.

Zonder gevolgen bleven nederlagen van regeringspartijen in 1974, 1991, 1995 en 2010.

1.

1974

In 1974 verloor regeringspartij D'66 dramatisch. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van november 1972 had de partij al een flinke nederlaag geleden (van elf naar zes zetels). Ook verkiezingen na gemeentelijke herindelingen leverden electorale klappen op. Na een nieuwe nederlaag bij de Statenverkiezingen kwam het voortbestaan van de partij op de tocht te staan.

Uiteindelijk was er op het congres in september een meerderheid voor opheffing, maar niet de statutair vereiste tweederde meerderheid. Gruijters bleef minister en de D'66-fractie bleef als parlementaire voorhoede van een bijna niet meer bestaande partij het kabinet steunen. In 1976 zou de partij een enorme come back maken.

2.

1991

In november 1989 trad het derde kabinet-Lubbers (CDA-PvdA) aan. De verwachting was dat er na de door de twee eerdere kabinetten-Lubbers doorgevoerde sanering van de overheidsuitgaven ruimte zou komen voor 'sociale vernieuwing'. PvdA-leider Wim Kok, minister van Financiën, kreeg vrijwel direct te maken met flinke tegenvallers op de begroting (een erfenis van zijn voorganger). Bovendien stagneerde de economie en liepen de werkloosheid en het aantal arbeidsongeschikten op. Van de sociale vernieuwing kwam weinig terecht.

Bij de Statenverkiezingen verloor de PvdA flink (10,5 procent!), waardoor het aantal Eerste Kamerzetels van 26 naar 16 ging. Samen met het CDA (die een zetel won en op 27 kwam) was er wel een ruime meerderheid. De onrust in de PvdA nam wel toe, maar het kabinet zou de hele periode uitzitten.

3.

1999

De Tweede Kamerverkiezingen waren per saldo een succes voor het eerste kabinet-Kok ('Paars I'). Er was wel een groot verschil in het resultaat van PvdA en VVD en dat van D66. Die laatste partij verloor tien zetels.

De trend zette zich voort bij de Statenverkiezingen van maart 1999. Bij de verkiezingen verloor evenwel ook de VVD. In de Eerste Kamer zagen de drie regeringsfracties door een verlies van zes zetels hun meerderheid slinken naar 38 zetels. D66 verloor drie van de zeven zetels, de VVD ging van 23 naar 19 en alleen de PvdA won een zetel.

Het kabinet wist enkele wetsvoorstellen met de kleinst mogelijke meerderheid door de Senaat te loodsen, maar het kabinet regeerde wel door tot mei 2002. Zelfs het sneuvelen van 'kroonjuweel' correctief referendum in de Nacht van Wiegel was geen reden voor D66 om te breken met het kabinet.

4.

Hoe deden regeringspartijen het bij Statenverkiezingen?

jaar

regeringspartijen

winst/verlies PS-verkiezing

winst/verlies Eerste Kamerzetels

1987

CDA-VVD

-7,1

-4

1991

CDA-PvdA

-13

-9

1995

PvdA-VVD-D66

+4,8

+4

1999

PvdA-VVD-D66

-4,8

-6

2003

CDA-VVD-(LPF)

+1,6

0

2007

CDA-PvdA-CU

-6,8

-8

2011

VVD-CDA-(PVV)

-9,3

-8 (incl. PVV +2)

2015

VVD-PvdA

-11

-9