Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Erop of eronder: immigratie als motor van het Europese project?

Peter Scholten is Universitair Hoofddocent Beleid & Politiek aan de Erasmus Universiteit, en directeur van IMISCOE, Europa’s grootste onderzoeksnetwerk op het terrein van Internationale Migratie, Integratie en Sociale Cohesie in Europa. Zie www.peterscholten.eu.

Wellicht is het momenteel een wat provocerende uitspraak, maar het zou zomaar kunnen zijn dat we over twintig jaar terugkijken naar deze periode en concluderen dat immigratie een van de motoren was van het Europese project. Het komend jaar wordt het erop of eronder. Gaat migratie leiden tot de exit van landen die juist op dit thema hun soevereiniteit willen laten gelden, mede onder druk van een Europa-brede toenemende onvrede met immigratie? Of gaat Europa er toch in slagen om een fundamenteel antwoord te bieden op de vluchtelingencrisis? Het ontbreken van een Europese visie en van leiderschap in combinatie met de nadruk op veelal technische en gedepolitiseerde aanpassingen biedt weinig hoop.

De betekenis van de vluchtelingencrisis gaat verder dan het Europese asiel- en migratiebeleid an sich. De vluchtelingencrisis zal ook implicaties hebben voor het Europese buitenland- en veiligheidsbeleid, de economische betrekkingen tussen Europa en de regio, het sociaal beleid in Europa en de ‘cultuur’ van samenwerking tussen Europese landen. Bovendien zullen de acties die Europa neemt op het terrein van immigratie belangrijke gevolgen hebben voor de perceptie die de Europese burger heeft van de EU.

Staatvorming

Enerzijds gebeurt er in Europees verband veel wat wel degelijk wijst op ‘staatvorming’ naar aanleiding van de immigratiecrisis. Geheel in de traditie van Europese samenwerking gebeurt dit vaak incrementeel en met de stille trom. Net als Monnet en Schuman destijds op een bijna technocratische wijze grote politieke vraagstukken temden, zo sleutelen de Europese leiders van nu aan akkoorden over herverdeling van asielzoekers door de Europese Unie en versterken van gemeenschappelijke grensbewaking. 

Het komen tot een akkoord over het zogenaamde quotasysteem was uniek in de cultuur van samenwerking in Europa in de zin dat een maatregel werd opgelegd zeer tegen de wil van een aantal (vooral nieuwe) EU-lidstaten. De recente plannen omtrent grensbewaking maken het zelfs mogelijk dat EU landen de grensbewaking van een ander EU land overnemen indien die in gebreke blijft. Beide voorstellen zijn duidelijke voorbeeld van ‘staatvorming’!

Gevaarlijk spel

Anderzijds speelt Europa op meerdere borden momenteel een zeer gevaarlijk spel, dat het Europese project juist in gevaar kan brengen. Zo moet Europa nog maar waarmaken dat de bovengenoemde akkoorden ook echt worden uitgevoerd; tot op heden is het aantal landen dat herverdeelde asielzoekers heeft ontvangen zeer beperkt! Nederland zal met oog op het voorzitterschap toch ook een goed voorbeeld moeten geven. 

Daarnaast is immigratie in veel landen, waaronder Nederland, nadrukkelijk verbonden met euroscepsis. Bij het geplande referendum in het Verenigd Koninkrijk zou het een factor van belang kunnen zijn (zelfs ondanks de opt-out van het VK van veel immigratie en asielbepalingen). Arbeidsmigratie binnen de EU speelt daarbij ook een sleutelrol. Bovendien spelen de leiders van EU lidstaten feitelijk een heel gevaarlijk spel door in EU-context beslissingen te nemen die in de nationale politieke arena erg omstreden zijn; de vraag is hoe breed de spagaat is die EU-leiders zoals minister-president Rutte kunnen maken!

Een helder verhaal

Wat opvalt is het gebrek aan Europees leiderschap en visie in de reactie op de vluchtelingencrisis. Uitgezonderd Angela Merkel, en die ook in steeds mindere mate, is er geen enkele leider met een helder verhaal over de waarden waar Europa voor staat in relatie tot de opvang van vluchtelingen. Dit is uiteraard kenmerkend voor de meer neofunctionalistische stijl van Europese integratie, maar voelt toch veel meer ‘ontaard’ aan wanneer het gaat over zo’n menselijke tragedie als de vluchtelingencrisis dan wanneer het gaat om handel in kolen en staal zoals in de tijd van Schuman en Monnet.

Het al dan niet hebben van een helder verhaal waarom Europa een specifiek antwoord biedt op de vluchtelingencrisis zou het verschil kunnen gaan vormen tussen ‘erop’ of ‘eronder’ voor het Europese project. Een helder verhaal vergt leiderschap en moed, maar zal ook invloed hebben op de sentimenten onder de Europese burgers. Momenteel wordt de publieke opinie ‘gekaapt’ door slechts één dominant verhaal, die van een meer behoudend en populistische aard is. Het is tijd dat Europese leiders daar iets tegenover zetten en het élan van het Europese project onderstrepen als meer dan alleen een interne markt en ‘functioneel’ samenwerken waar dat rationeel is.

Wie schaffen wir das?

Een inhoudelijke visie op hoe Europa om dient te gaan met immigratie doet ook meer recht aan de fundamentele uitdaging die de vluchtelingencrisis biedt. Dit gaat veel verder dan het vinden van een tijdelijke verdeelsleutel en het bijschaven van het beleid ten aanzien van grensbewaking. 

Gezien de instabiliteit in de regio maar, meer nog, gezien de demografische en economische ontwikkelingen in sub-Sahara Afrika, moet Europa zich opmaken voor misschien wel enige decennia van structureel hoge immigratie. Er dient dus een integrale visie te komen op hoe bijvoorbeeld het Europese migratiebeleid samenhangt met buitenlandsbeleid, maar ook met overige Europese beleidsthema’s zoals de vergrijzing, economische samenwerking en misschien wel defensiesamenwerking. 

Zelfs een Europees ‘wir schaffen das’ zou in dat kader niet voldoen; Europa heeft echt behoefte aan een meer inhoudelijke, fundamentele en langetermijnvisie op hoe Europa dat dan wel eens even zou gaan ‘schaffen.’


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 21 december 2015.