Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Gemiddeld kabinet, maar met opvallende kenmerken

Het derde kabinet-Rutte lijkt qua profiel op eerdere kabinetten, zeker als het gaat om leeftijd, opleiding en bestuurijke inbreng. Het meest opvallende is dat slechts één zittende minister terugkeert, te weten premier Mark Rutte. Zo weinig continuïteit was er alleen bij het kabinet-Balkenende I, toen alleen minister Korthals bleef (zij het op een andere post) en bij het kabinet-Den Uyl toen alleen Van Agt en Boersma terugkeerden.

Doorstroming van staatssecretarissen naar het kabinet is een vrij gebruikelijk verschijnsel. Voorbeelden waren in het verleden Y. Scholten, Th.­­­ Bot en P. de Jong (kabinet-Marijnen), Ch. van Veen en H.J. de Koster (kabinet-Biesheuvel), T. Netelenbos en F. de Grave (Kok II) en J. Remkes en H. Hoogervorst (Balkenende I). Met vijf ex-staatssecretarissen, van wie twee uit het vorige kabinet, is het aantal wel hoger dan in het verleden.

Het parlementaire karakter van het nieuwe kabinet wordt versterkt door de komst van enkele (vice)fractievoorzitters (Zijlstra, Keijzer, Koolmees) en fractiesecretarissen (Harbers, Knops en Van Veldhoven). VVD, D66 en ChristenUnie moeten ook op zoek naar een nieuwe financieel woordvoerder. Dat prominente Kamerleden (Slob, Bijleveld) terugkeren in 'Den Haag' , gebeurde vaker (Klaas de Vries, Voorhoeve, Brinkhorst).

Slechts Sigrid Kaag, Ferdinand Grapperhaus en Hugo de Jonge zijn onder de ministers feitelijk ' buitenstaanders' . Alle andere ministers kennen het parlement, hetzij als oud-Kamerlid of oud-bewindspersoon, hetzij als voormalig topambtenaar. Net als eerder Asscher, Dekker, Klijnsma en Wiebes is de komst van wethouders van de grote steden opvallend. Alleen Ank Bijleveld heeft ervaring als provinciaal bestuurder.

De verdeling veertien mannen en tien vrouwen is voor Nederlandse begrippen groot, als is tien vrouwelijke bewindslieden slechts een evenaring en geen record. Daarvan is wel sprake met zes vrouwelijke ministers. De kritiek op het te kleine aandeel vrouwen zou alleen de VVD zich met één vrouwelijke minister enigszins moeten aantrekken. Ongetwijfeld had Jeanine Hennis zonder haar voortijdige vertrek hoge opgen gescoord.

Opvallender is wellicht dat bewindslieden met niet-westerse roots vrijwel ontbreken (Barbara Visser is de uitzondering). Dit keer zal er dus geen nationaliteitenkwestie zijn zoals bij Aboutaleb en Albayrak. Dat niet-blanke bewindslieden nog altijd ontbreken, is eveneens opmerkelijk (maar in de Kamers zitten die evenmin).

Regionale spreiding is bij postenverdeling nooit een echt issue, maar de noordelijke en zuidelijke provincies (Knops en Zijlstra en in mindere mate Van Nieuwenhuizen) komen er wat bekaaid af.

1.

Deze bijdrage stond in