Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Nederland en een ambitieuze EU

maandag 25 februari 2019, 13:00, column van dr/mw Ine Megens

Begin februari vond in de Tweede Kamer een debat plaats over de Staat van de Europese Unie waarin het kabinet jaarlijks zijn visie en prioriteiten ten aanzien van het Europees beleid presenteert. Bij die gelegenheid schuiven ook altijd een aantal Europarlementariërs aan. Voor VVD Europarlementariër Hans van Baalen was dit de laatste keer. Na de verkiezingen in mei zal hij het Europees Parlement verlaten. Hij wees op de trage besluitvorming binnen de Unie, maar zei ook: ‘Als de Europese Unie niet had bestaan, hadden we haar moeten uitvinden. (…) die samenwerking is vitaal.’ Dat is een opvatting die premier Rutte en de rest van het kabinet zullen onderschrijven. Toch klinkt vanuit Den Haag vaak kritiek op Brussel. In een bijdrage op de opiniepagina van de Financial Times sprak minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok zich onlangs uit tegen een politieke rol voor de Europese Commissie. Nederland is van mening dat de verantwoordelijkheid voor het economisch en monetair beleid bij de lidstaten moeten blijven en verzet zich tegen een Europees Monetair Fonds onder de Europese Commissie. Daarentegen is Nederland een groot voorstander van vereenvoudiging van de bestaande wet- en regelgeving en meer aandacht voor de uitvoering van Europese afspraken. Dat het daaraan schort binnen Europa is voor iedereen waarneembaar. Te vaak prevaleren politieke belangen van individuele lidstaten waardoor landen die de begrotingsregels overtreden zoals Italië, of de persvrijheid beteugelen zoals Hongarije, niet worden aangepakt. Verscheidene parlementariërs vroegen tijdens het debat dan ook om strikte naleving van de regels.

Een ander breed gedeeld punt van zorg is het gebrek aan eensgezindheid op het terrein van buitenlands beleid. Het leidt tot minder daadkrachtig optreden, bijvoorbeeld bij het instellen van sancties. Nederland heeft het voorstel van de Commissie om op dit terrein gekwalificeerde meerderheidsbesluiten toe te staan, in principe verwelkomt. Het zou de organisatie slagvaardiger maken en de stem van de EU krachtiger laten klinken. Daarvoor pleitte ook premier Rutte onlangs in zijn toespraak in Zürich. De EU moet een politieke machtsfactor worden en om te beginnen zijn economische macht koppelen aan politieke doelstellingen. Dat vereist meer armslag voor de EU, niet alleen institutioneel, ook financieel. De EU begroting zal zeker na het vertrek van de Britten omhoog moeten en datzelfde geldt voor de Nederlandse afdracht aan Brussel. Op dit punt staat Nederland bekend als een land dat de hakken in het zand zet. Het is tijd voor een andere houding. Nederland moet het voortouw nemen en niet altijd positie kiezen als de laatste man die over de streep getrokken moet worden. Nu de hervorming van de eurozone na de Italiaanse verkiezingen voorlopig op de lange baan is geschoven, biedt dat ruimte aan de Nederlandse vertegenwoordigers om kleur te bekennen.

De regering heeft vijf beleidsterreinen benoemd die prioriteit genieten waaronder migratie, veiligheid en het klimaat. Die thema’s bieden kansen voor het smeden van nieuwe coalities. Met Frankrijk bijvoorbeeld, of met de zuidelijke lidstaten. Afgelopen jaar is er in Den Haag veel gesproken over coalitievorming na de Brexit. Met het vertrek van de Britten verliest Nederland een vertrouwde partner die op veel beleidsterreinen ook een betrouwbare medestander was. Bovendien zullen als gevolg van de Brexit de interne machtsverhoudingen binnen de EU gaan verschuiven. Moet Nederland zich aansluiten bij het Frans-Duitse tandem? Zich opwerpen als grootste van de kleintjes? Wisselende coalities sluiten met andere landen, afhankelijk van het onderwerp dat aan de orde is? Of toch de Hanze-coalitie met Zweden, Finland, Ierland en de drie Baltische staten verder uitbouwen? Speculeren over wie met wie nauwere samenwerking zal zoeken is een aardig gezelschapsspel, maar levert geen directe resultaten op en filosoferen over wie eigenlijk onze geestverwanten zijn binnen Europa al evenmin. Nederland moet gebruik maken van het momentum dat ontstaat na uittreden van het Verenigd Koninkrijk en ja, ook van het gezag dat Rutte binnen de EU heeft opgebouwd, om constructieve en creatieve ideeën aan te dragen, bijvoorbeeld op het gebied van klimaat. In het ontwerp Klimaatakkoord dat in december jl. aan de Nederlandse regering werd gepresenteerd zijn ambitieuze voorstellen geformuleerd om een reductie van 49% broeikasgas in 2030 mogelijk te maken. Zo’n nationaal beleid ontwikkelen is onmogelijk zonder de Europese Unie. Hoewel de regering pleit voor een effectief Europees klimaatbeleid in de Staat van de Europese Unie zijn de voorstellen die ze daarin noemt, zoals de invoering van een Europese CO2 minimumprijs, niet vernieuwend of weinig concreet. Verregaande aanpassing van het emissiehandelssysteem en andere harde klimaatafspraken zou de inzet van Nederland moeten zijn. Ook op andere terreinen moeten heldere voorstellen die getuigen van ambitie leidend zijn, niet de coalitievorming of een mogelijke Europese toppositie voor Mark Rutte.

Dr. Ine Megens is als universitair docent contemporaine geschiedenis verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.