Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Achtergrond: buurland Venezuela zorgde in 1929 al voor problemen

Het door Venezuela sluiten van de zeegrens met Curaçao is een nieuwe stap in een verslechterde relatie tussen dat land en het Koninkrijk. Het bewind-Maduro is boos dat Nederland de VS toestaat om vanaf Curaçao hulpgoederen naar Venezuela te gaan sturen. De erkenning van oppositieleider Guaidó als president is eveneens een steen des aanstoots.

Negentig jaar geleden, in juni 1929, was er al eens een heftig incident waarbij Venezuela en Curaçao betrokken waren. Onder leiding van de opstandige Venezolaanse generaal Urbina pleegde een gewapende militie op Curaçao een overval op fort Amsterdam. Na de wacht te hebben overmeesterd en de commandant gevangen te hebben genomen, stalen zij wapens en munitie.

De eveneens gevangengenomen Gouverneur Fruytier werd gedwongen hen per schip te laten terugkeren naar Venezuela. Hij had niet alleen dát gedaan, maar daarbij ook zelf tot spoed gemaand bij het uitvaren van het schip. Urbina trachtte een opstand te ontketenen tegen het toenmalige dictatoriale bewind in Venezuela; een poging die overigens zou mislukken.

Omdat de Tweede Kamer op verkiezingsreces was, was het in de Eerste Kamer dat de kwestie aan de orde werd gesteld. Niemand minder dan Colijn interpelleerde de regering over het voorval. Hij hekelde de houding van het koloniale bestuur. Dat had een aanbod van een oliemaatschappij om een tiental geweren ter beschikking te stellen aan het Nederlandse gezag afgewezen. Colijn vond dat er best had kunnen worden opgetreden: 'Als er maar kerels zijn, die geweren in handen hebben', zo zei hij.

Minister Koningsberger verdedigde het optreden van Gouverneur Fruytier, maar aan zijn gouverneurschap kwam snel een einde. Enige maanden later kreeg hij een hoge ambtelijke positie in Nederland (hoofdinspecteur van Arbeid) aangeboden, maar na kritiek daarop moest hij genoegen nemen met de functie van arbeidsinspecteur in Maastricht.