Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Spannende stemmingen

De orgaandonatie-wet werd met een nipte meerderheid van 75-74 stemmen aangenomen, en dan ook nog alleen doordat een Tweede Kamerlid - die tegen zou stemmen, in een vertraade trein zat. Bij een stemmingsuitslag 75-75 zou het voorstel verworpen zijn. Het is nog nooit voorgekomen dat een stemming eindigde in 75-75, maar spannende stemmingen waren er uiteraard vaker.

Zo staakten in het voorjaar van 2002 tot tweemaal toe de stemmingen over een motie tegen het JSF-project. De uitslag was toen twee keer 74-74. Alleen de uitslag 75-75 leidt direct tot verwerping. In een onvoltallige Kamer moet bij een gelijk aantal voor- en tegenstemmen worden herstemd.

Stemming in een voltallig aanwezige Kamer vond bijvoorbeeld plaats in 1980 bij het wetsvoorstel van het kabinet-Van Agt I over abortus. De uitslag was toen 76-74. Dat was voor het eerst dat alle 150 leden stemden. Opmerkelijk genoeg werd er daarover ook in de Eerste Kamer door alle leden gestemd, met als uitslag 38-37. Eerder, in 1949, stemde de toen uit 100 leden bestaande Kamer in voltalligheid over de Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Daarvoor was een twee derde meerderheid nodig, die er met 29 stemmen tegen kwam.

Bekende historische spannende stemmingen waren er verder over het voorstel om de marinevloot uit te breiden, dat in 1923 met 50 tegen 49 stemmen werd verworpen (waardoor het kabinet viel) en de stemming in 1926 over het Verdrag met België, dat met 50 tegen 47 werd aangenomen. De bekendste spannende stemming was er echter in 1900 toen de ontwerp-Leerplichtwet met 50 tegen 49 stemmen werd aanvaard, omdat het lid Schimmelpenninck (een tegenstander) afwezig was. Hij was van zijn paard gevallen.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 26 september 2016.