Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Binnenhofse taal na 1950 in negen fragmenten

Als een van de inleiders bij de presentatie van het boek Dat gezegd hebbend. Taal in politiek Den Haag na 1950 van de Groningse taalkundige Siemon Reker op woensdag 23 januari 2019 in het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen memoreerde Johan van Merriënboer een aantal ervaringen uit de praktijk van een parlementair historicus.

Bijna dertig jaar heb ik me verdiept in de naoorlogse parlementaire geschiedenis op het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Daar ben ik intussen uitgegroeid tot misschien wel de grootste consument van de Handelingen in Nederland, en dan ben je natuurlijk ook meteen de grootste in de wereld. De Handelingen vormen een prachtige bron voor een historicus, een bron die nog altijd te weinig wordt gebruikt. Het bijzondere is dat het in principe gaat over het gesproken woord. Je bent getuige van de mondelinge gedachtewisseling die onze volksvertegenwoordigers in een ver of minder ver verleden met elkaar hadden. Je krijgt soms het gevoel of je erbij zit.

Fragment 1

Toen ik op het CPG begon, kreeg ik eerst de landbouwpolitiek op mijn bord van Sicco Mansholt, minister van Voedselvoorziening, Landbouw en Visserij van 1945 tot 1958. Wat me opviel was het jargon. Termen waar ik nog nooit van gehoord had, en die misschien niet eens meer bestaan. Ik begon ze te sparen, en het lijstje dat ik toen bijhield heb ik nog steeds. Mijn eerste fragment bestaat uit tien landbouw- en visserijtermen uit de Handelingen van het begin van de jaren vijftig

  • internationale veekoekenpositie
  • fokzeugenregeling
  • volkorenbrooddienst
  • een beug van 8 tot 10 perkjes met wijde mazen
  • perzikscheutboorder
  • boerengeriefhout
  • fustvraagstuk
  • controleschokkers ten aanzien van de aftrekkende zalmpjes
  • rijkspootvisfonds
  • komgrondencommissie

Ik ben me daarna blijven verdiepen in Mansholt, die in 1958 naar Brussel vertrok om Europees Commissaris te worden. Hij eindigde zijn carrière in 1973 als voorzitter was van de Europese Commissie. In 2006 verscheen zijn biografie van mijn hand, tevens proefschrift. In Brussel sprak Mansholt geen Nederlands meer, maar hij behield wel zijn typische Groningse accent. Hij was ‘een bevlogen en gedreven commissaris die vaak zijn plannen in steenkolen Duits of - Frans wist door te drukken’, las ik in de memoires van oud-minister Ben Bot, die hem als jonge ambtenaar in Brussel meemaakte.

Oud-minister Beyen, de Nederlandse ambassadeur in Parijs die een groot gevoel voor humor had, rapporteerde in 1958 na de eerste grote rede van Mansholt over het Europees Landbouwbeleid: ‘Briljant, maar sinds Sodom en Gomorra is er niet meer zo tegen de geslachten gezondigd.’

Fragment 2

Voor een Handelingen-lezer is het van belang dat hij zich realiseert dat de oorspronkelijke bron werd gevormd door gesproken woorden met bepaalde klanken, intonaties, vreemde tongvallen, verhaspelde zinnen enzovoort. Er werd soms ook gewoon door elkaar heen gesproken. Al die dimensies zijn er niet meer. De tekst is geredigeerd. Tegenwoordig kun je de Handelingen naast de opgenomen beelden uit de Kamer leggen, maar dat is van zeer recente datum. Voor de toon en de kleur van het debat - soms zelfs inclusief observaties over de lichaamstaal - kon je vroeger wel terecht bij krantenverslagen van de parlementaire journalisten die erbij waren. Mijn tweede fragment is afkomstig uit Van Binnen- en Buitenhof van A.W. Abspoel uit 1956. Hij was parlementaire redacteur van het Algemeen Handelsblad.

Een verblijf op de perstribunes van de Kamers is een voorrecht en een genot. (…) omdat geen andere plaats denkbaar is waar men de veelzijdigheid in optreden, geaardheid en karakter van de Nederlandse mens zo rustig kan observeren. (...) Men hoort er het gloedvolle betoog van de redenaar, de handige debater, de ervaren politicus, die onmiddellijk de zwakke plekken in het betoog van zijn tegenstander weet te ontdekken en bloot te leggen; men kan er het academische betoog van de professor, de scherpzinnige opmerkingen van de jurist en het nuchtere woord van de vakverenigingsleider beluisteren.

[en even verderop]

De leden van de Tweede Kamer (...) vormen als het ware een staalkaart van het Nederlandse volk. Ge vangt (in de Kamer) de sappige klanken op van de Limburgse en Brabantse Zuiderling, zowel als het zich nimmer verloochenende accent van de Groninger. Ge hoort er de steevast de laatste lettergreep van bepaalde woorden inslikkende Drent en de klanken van het onvervalste Amsterdams.

Nederland in zakformaat. Het feit dat je kon horen dat de Kamerleden een staalkaart van het Nederlandse volk vormden, werd zelfs naar voren geschoven als argument tegenover voorstanders van de invoering van een kiesdrempel. Het herkenbaar houden van de politieke kaart van Nederland op basis van ‘mathematische representatie’ werd als een wezenlijk onderdeel van het systeem gezien.

Bijvoorbeeld door ARP-Kamerlid Maarten Schakel, toevallig een van de betere sprekers die we ooit hebben gehad, en altijd uit het hoofd. Tussendoor daarom ook een citaat van hem - zeg citaat tweeëneenhalf - uit een debat uit 1976:

Ik denk bij de Tweede Kamer altijd onweerstaanbaar aan Madurodam. Op het eind van de laatste dag van de algemene beschouwingen is de koffiekamer voor mij heel Nederland in zakformaat. Ze zijn er allemaal, communisten, socialisten, calvinisten van velerlei gading, katholieken, pacifisten en ga zo nog maar enige tijd door. De belangstellende kijker ziet ze ook op de televisie. Hij heeft in het totaal zijn referentiepunten en voelt zich op deze wijze een deel van het bestel.

Dat moet je dus ook kunnen horen in de zaal en kunnen lezen in de Handelingen.

Fragment 3

Emotionele betrokkenheid is een volgende stap. Een gevoel van vreugde of verbazing over fraaie passages of knappe redeneringen overvalt de lezer zo nu en dan. Verdriet en woede komt niet vaak voor. De afstand van de wetenschapper speelt daarbij een rol.

Ik kan me nog wel herinneren dat ik me geërgerd heb aan passages van SGP-Kamerleden uit het begin van de jaren zestig. Niet vanwege mezelf, maar omdat mijn hele familie uit het katholieke Zuiden komt. Mijn grootouders en mijn ouders waren brave mensen, gelovige en hartelijke Brabanders met een groot hart voor iedereen. Waarom ging zo’n SGP’er - vaak ingeleid door een voor mijn gevoel toch erg hypocriete disclaimer dat hij niks tegen katholieken had - dan toch op zo’n koude boven-Moerdijkse manier tekeer tegen die aardige mensen? Fragment 3 is afkomstig van SGP-fractieleider Van Dis, uitgesproken op 1 oktober 1961.

Wij wensen (..) niet mede te werken aan de toch reeds zo ver voortgeschreden verroomsing van ons land. Dr. Kuyper heeft eertijds dienaangaande eens een opmerking gemaakt, welke waard is nog eens onder de aandacht te worden gebracht. Hij schreef nl.: ‘Dit is wat ons ergert, niet, dat Rome ons weer rooms wil maken, maar dat protestanten, dat gereformeerde christenen Rome hierin helpen. Zo iets, dan achten wij dit een zedelijk misdrijf.’ Mijnheer de Voorzitter! Van ons mag niet worden gevergd, dat wij ons (…) aan dit zedelijk misdrijf zouden schuldig maken. Het is mij vanwege de mij toegemeten tijd niet mogelijk om meerdere voorbeelden aan te halen, waarin de voortschrijdende verroomsing tot uiting komt.

[Van Dis wijst op de benoeming van een katholiek als burgemeester van Den Haag en een katholieke schoolopzichter in het protestantse Goes. Daarna volgt als klap op de vuurpijl:]

Dezer dagen (…) kwam mij een geschrift in handen van het Staatsbedrijf der PTT. (…) Op blz. 3 [stonden de Kinderpostzegels 1961], waarbij werd vermeld, dat als onderwerp voor de zegels was gekozen ‘Kind en volksfeest’. In plaats van nationale voorstellingen blijken er echter bij te zijn, die betrekking hebben op specifiek rooms-katholieke feestdagen, zoals Driekoningen, Palmpasen en Sint Maarten. (…) Als de Regering dit maar laat voortgaan, kan men na verloop van tijd postzegels krijgen met beeltenissen, die Maria en wie weet welke andere “santen en santinnen” moeten voorstellen. Wij verzoeken de Regering daarom dringend te willen bevorderen, dat deze kinderpostzegels niet in circulatie zullen komen.

Kinderpostzegels 1961

Fragment 4

Met collega Jan Willem Brouwer werkte ik van 1998 tot 2001 aan de biografie van Piet de Jong. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig was hij minister-president. Een man met veel humor en een typisch taalgebruik. Hij was afkomstig uit de Marine en dat merkte je duidelijk. De Jong werd ook wel gewaarschuwd door zijn partijgenoten - hij was bepaald geen partijtijger - dat hij moest uitkijken dat hij niet te scherp of te grappig was. Dan liep hij de kans dat de Kamer zich tegen hem keerde, of dat hij niet meer serieus werd genomen.

Niet alle gevleugelde uitdrukkingen die hij in de Kamer uitsprak zijn terug te vinden in de Handelingen. Hij was maar 1.62 meter en zou op een bepaald moment aan het begin van een redevoering de twee te hoog afgestelde microfoons op de ministerstafel omlaag hebben gebogen met de opmerking: ‘Even de periscoop op manshoogte brengen.’ Dat vind je in de Handelingen niet terug, in een van de krantenverslagen vind je wel: ‘Even de apparatuur op manshoogte brengen.’

De Jong was in de Kamer ook vaak zeer kort van stof, en dat zinde veel Kamerleden niet, want die voelden zich tekort gedaan. En dat terwijl sommige Kamerleden zelf erg lang van stof waren. Toen De Jong bij zijn eerste Algemene Beschouwingen als premier voortdurend was onderbroken door een fractielid van de PvdA, hernam hij het woord met: ‘Wanneer de afgevaardigde klaar is met zijn redevoering, kan ik verder gaan met mijn interruptie.’ Dat staat wel in de Handelingen, maar werd hem ook niet in dank afgenomen.

Fragment 4 is een voorbeeld van de humor van De Jong uit de Handelingen. Het is zijn antwoord op het betoog van een PSP-Kamerlid in de jaren zestig die vond dat de dreiging van de Sovjet-Unie was afgenomen en de Defensie-uitgaven drastisch omlaag konden:

'De geachte afgevaardigde staat daar wat alleen in. Nu is het natuurlijk niet zo, dat hij, gezien zijn betrekkelijke eenzaamheid per definitie een onjuist standpunt huldigt. De geschiedenis kent vele voorbeelden van mensen, die een andere opinie hadden dan vele anderen en toch gelijk hadden. Zijn positie doet mij toch wel een beetje denken aan het beroemde verhaal van de trotse moeder, die haar zoon zag meemarcheren in de troep en die zei: ‘Kijk, zij zijn allemaal uit de pas, behalve onze Willem.’

Fragment 5

Na de Handelingen vormen de notulen van de ministerraad de belangrijkste bron voor mij als parlementair historicus. Dat is een vergelijkbare bron in die zin dat het ook een verslag is van een mondelinge gedachtewisseling. Maar er zijn wel grote verschillen. De beraadslagingen in de ministerraad zijn niet openbaar en niet alles wordt genotuleerd. Het gaat om sterk geredigeerde en in ambtelijke taal gegoten samenvattingen van de bijdragen van bewindslieden aan de discussies, voor zover deze een aandeel hadden in de besluitvorming.

Tegenover Brouwer en mij heeft De Jong er ooit zelfs zijn verbazing over uitgesprokken dat wij ons soms zo stellig op die notulen baseerden. Hij vond ze helemaal niet zo betrouwbaar, volgens hem bevatten ze vaak ook geen goede weergave van de discussies: ‘Soms staat er precies het tegenovergestelde in van wat er werkelijk gezegd is. Bij pijnlijke zaken belden collega’s bijvoorbeeld een dag van tevoren op: “’t Is goed dat je het volgende weet, maar ik breng het niet naar voren in de ministerraad.” Sappige details over personen werden sowieso uit de notulen gehouden. Dan kreeg je na de raad eerst conceptnotulen van de ministers, en die werden geschoond, waarna het bij de behandeling van de notulen weer helemaal anders kon gaan.’ Uiteindelijk gaf De Jong overigens wel toe dat de besluitvorming op basis van die notulen toch wel goed te volgen was.

Tussen de papieren van De Jong vonden we ‘officieuze notulen’, grappen en tegeltjeswijsheden die collega’s van hem tijdens de vergaderingen van de ministerraad hadden opgeschreven om ze voor ons te bewaren. Gelukkig maar.

‘De mens is zelden inventiever dan wanneer het erom gaat elkaar uit te moorden.’

[Naar aanleiding van voorziene relletjes bij een NAVO-bijeenkomst in Den Haag:] ‘Ik ben voor de brandspuit: lui met een natte broek kunnen niet zo kwaad worden’

[Over een generaal waar weinig initiatief meer van uitging] ‘In de hogere rangen, dus in de ijlere luchtlagen, bruist men niet altijd van energie’

[Over de opkomst van de alternatieve kabouterpartij in 1970:] ‘Een vleugje parfum tussen de spruitjes’

‘Ik ben voorstander van pornografie. Het is tenslotte het enige middel tegen zeeziekte.’

[Naar aanleiding van een staatsbezoek van de president van een Afrikaans land:] ‘Ik zal hem gehakte missionaris geven, dat krijgen we ook niet elke dag’

‘De enige subsidie die Algemene Zaken geeft is mijn eigen bankrekening’

[In de MR over de tegenvallende resultaten van een Benelux-conferentie:]‘Ik geloof, dat we in ieder geval met vreugde constateren, dat voortaan het uitvoeren van kokosnoten uit de Noordoostpolder volkomen vrij zal zijn’

Minister-president De Jong in de Tweede Kamer. Achter hem minister van Buitenlandse Zaken Luns, 1967. Foto: Nationaal Archief

Fragment 6

Een grote hulp en een enorme tijdwinst leverde de digitalisering van alle Handelingen op. Collega’s in Europa benijden ons daarom, want de meesten kennen dit niet, of nog niet. Je moet er wel mee weten om te gaan, anders verdrink je erin.

Door een fractiemedewerker van een Kamerlid, werd ik in het pre-digitale tijdperk ooit benaderd met de vraag waar die beroemde uitspraak van minister van Justitie Polak te vinden was over de democratie. Dat democratie niets voor bange mensen zou zijn. Daar is geen beginnen aan als je alleen maar papieren Handelingen hebt. En Delpher was er toen natuurlijk ook nog niet. Nu heb je dat zo. Fragment 6 is het beroemde citaat van Carel Polak. Het bleek een geïmproviseerd antwoord op een mondelinge vraag van een rechts Kamerlid van de Boerenpartij over de toelating van Duitse en Franse studentenleiders in Nederland in mei 1968.

De democratie is niet een staatsvorm voor bange mensen, niet voor mensen die voor elke politieke beweging of elke politieke verandering angstig zijn. Wij mogen niet de orde en rust bij voorbaat stellen boven de vrijheid van het woord en de vrijheid van meningsuiting. Ook de vrijheid van degenen die er prijs op stellen, dergelijke mensen te horen, moeten wij zoveel mogelijk eerbiedigen. In dit geval hebben wij die gesteld boven bij voorbaat een vrees voor het verstoren van de orde. De Nederlanders en de Nederlandse studenten kennende, deel ik die vrees niet.

Fragment 7

Lang niet alle sprekers en zeker lang niet alle onderwerpen boeien. Als ik als ervaringsdeskundige een tip mag geven: blader gauw verder bij de financiële beschouwingen en alles over ruimtelijke ordening. De ervaring leert ook welke Kamerleden de moeite waard zijn en welke niet. Van een oud-medewerker hoorde ik ooit dat leden van de Eerste Kamer dankbaar gebruik maakten van de bijdragen van het GPV-Kamerlid Schutte, die altijd een puntgaaf overzicht gaf van het vooroverleg en de gevoerde discussies.

Na vele bladzijden voortkabbelende Handelingen uit de jaren vijftig tot de jaren tachtig, waren de reces-toespraken van de Kamervoorzitter of de bijdragen van leden als Marcus Bakker, Maarten Schakel of Harm van Riel doorgaans een verademing. Fragment 7 is een citaat van VVD- Eerste Kamerlid Harm van Riel bij de Algemene Beschouwingen in november 1974:

Als er een nieuw deel van de Parlementaire Geschiedenis van Van Welderen Rengers verschijnt (…) dan zal blijken dat de dag waarop de oud minister-president De Jong geen lijstaanvoerder van de KVP werd, het keerpunt in de Nederlandse parlementaire geschiedenis is geweest. Niet omdat de heer De Jong een genie is, maar eenvoudig omdat hij ruim buiten de katholieke kring om vertrouwen geniet. Men heeft daar het Kairos, het geschikte moment voorbij laten gaan en het is zeer de vraag, of dat ooit weer in te halen is.

[Dat was over De Jong. In dezelfde rede zei Van Riel ook nog over Van Agt:]

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot de Minister van Justitie, de heer Van Agt. De heer Van Agt danst als een deugdzame Irma La Douce over het biljartlaken van ons Nederlandse rechtsbestel. De zaak van de Benedictijn, de heer Mattheus (…) is een griezelverhaal met één komische rol, de heer Van Agt, onbedoeld en achteraf.

[Later concludeert Van Riel dan:]

Met appreciatie voor de heer Van Agt, wiens bedoelingen nooit anders dan de allerbeste zijn (…) moet ik in dit geval toch zeggen: Hij had als minister inderdaad beter weg kunnen gaan en weer professor kunnen worden.

Fragment 8

In de jaren zeventig, waar het CPG nu is aanbeland met haar grote delen over de parlementaire geschiedenis, draaide het in de Nederlandse politiek om het trio Den Uyl-Van Agt- Wiegel. Dat is natuurlijk ook smullen in de Handelingen geblazen.

Dat waren de jaren van de polarisatie, een feest voor de politieke taal, maar ook de jaren van de geboorte van Jan Modaal, het ombuigen, cijfertjes en stomvervelende koopkrachtplaatjes.

In de Handelingen vinden we fraaie juridische formuleringen en Van Agt, bijvoorbeeld rondom het rebus sic stantibus, en taalvondsten als ‘naaktijlen’ de rage van het streaken (naaktlopen) in die jaren. Maar veel is het niet. In de ambtelijk gestelde ministerraadsnotulen heb ik geen pareltjes kunnen ontdekken. Ook niet toen Peter Bootsma, Peter van Griensven en ik aan de biografie over Van Agt werkten, Tour de force dat in 2008 verscheen.

Maar in die jaren voltrok zich wel een uitbreiding van het politieke speelveld. Naast de Kamer en de Trêveszaal ontwikkelde de politieke taal zich toen in rap tempo. Op de radio bijvoorbeeld in het beruchte VARA-programma In de Rooie Haan. Later kreeg je iets vergelijkbaars op televisie, Haagsche kringen. Op 9 januari 1976 ontspon zich voor de camera het volgende gesprek, een paar dagen na een radio-interview waarin premier Den Uyl ‘met de benen op tafel’ een aantal mogelijke bezuinigingen had geopperd, zoals het afschaffen van de kinderaftrek en de kinderbijslag.

Dat was op die manier nog nooit gebeurd en had tot grote commotie geleid. Via de media vooruitlopen op debatten in het kabinet en in het parlement. Nu is dat staande praktijk, maar toen niet. Of de democratie daarmee gediend was, was de vraag. Het debat werd namelijk snel gekaapt door grappenmakers. Die spraken dan bijvoorbeeld niet over ‘de minister-president’, maar over oom Joop. Fragment 8, 9 januari 1976, de geboorte van ‘oom Joop’:

Interviewer: had de minister-president niet beter moeten overleggen, is er in het kabinet niet een behoorlijke storm geweest.

Van Agt: Nee er is geen storm geweest, wel uitingen van verwondering. Oom Joop is zo berispend toegesproken als onder vrienden past

Interviewer: U spreekt ook een beetje waarderend over Oom Joop?

Van Agt: Ja, dat is ook een beetje de beneden Moerdijkse wijze waarop ik tegen medemensen aankijk.

Interviewer: Wat is eigenlijk een beneden Moerdijkse wijze, is dat wezenlijk iets anders dan andere mensen in het kabinet van boven de Moerdijk?

Van Agt: Oh nee, maar er zitten verschillende beneden Moerdijkers in het kabinet en de anderen hebben onze invloed ook eniger mate intussen ondergaan, het wordt alsmaar beneden Moerdijkser.

Interviewer: Een stukje emancipatie van de katholieken eigenlijk ook een beetje?

Van Agt: Vooruit, als gij wilt.

Fragment 9

Ten slotte Ruud Lubbers, de kampioen minister-president (1982-1994), een man met een taalgebruik dat zo typisch was dat het naar hem vernoemd is, het lubberiaans. Het wollige taalgebruik.

Hij is onder meer bekend van de ‘positieve grondhouding’ tegenover een mogelijk premierschap in 1982. Maar als je die woorden opzoekt in de digitale Handelingen dan blijkt dat die toch gemunt zijn in 1976 door iemand anders, namelijk de minister van Justitie uit het kabinet-Den Uyl, Dries van Agt.

Lubberiaans typeerde zijn wollige taalgebruik zelf in de Persoonlijke herinneringen kort na zijn overlijden als defensief cricket. Je slaat dan alle ballen meteen naar de grond. Dat is treffend. Zo neutraliseerde hij alle politieke aanvallen.

Toch moet ik dan ook altijd denken aan de Kamerstenograaf, die in een interview in een actualiteitenprogramma ergens in de jaren negentig vertelde dat hij in de Kamer ooit minutenlang ‘een zootje puin’ over zich heen had gekregen, en dat hij daar toch een samenhangende tekst van had gemaakt. ‘Dat is een vak’, concludeerde hij ten slotte trots.

Het laatste fragment. Bij de Algemene Beschouwingen van 1987 vroeg de linkse oppositie of het kabinet bereid was de koopkrachtdaling van de minima ongedaan te maken. De minister-president antwoordde met een lange kolom lubberiaans proza, die hij afsloot met de volgende op uiterst serieuze en overtuigende wijze voorgedragen hilarische zin:

Om het heel precies te zeggen: wij zijn ervan uitgegaan dat de specifieke maatregelen binnen bepaalde marges mogelijk zouden kunnen zijn, wij zijn bereid te erkennen, als je de cumulatie nou ziet van alles, dat het geheel van specifieke maatregelen - dat is ook de verdienste van de analyse van minister De Koning - nogal scherpe kanten oplevert, die zijn hier genoemd, we zijn bereid de scherpe kanten af te vijlen, dat kost geld, we realiseren ons dat moet dan ook maar, het wordt toch een moeilijke afweging voor het kabinet, maar als u zegt wat is de norm daarbij, dan zeg ik: nou, een gedeeltelijk wegnemen van die effecten, op dit moment.