Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Statenverkiezingen, kabinetscrises en near crashes

Met spanning kijken politiek en media uit naar de Provinciale Statenverkiezingen op 20 maart. Niet omdat het kiezen van een nieuw parlement in de twaalf afzonderlijke provincies nu zo’n opwindende gebeurtenis is, maar omdat de nieuw gekozen of herkozen Statenleden op hun beurt de leden van de Eerste Kamer kiezen. Aangezien daar belangrijke verschuivingen worden verwacht gaan deze verkiezingen dus nauwelijks over streekgebonden thema’s maar over de stabiliteit in de regeringscoalitie en de populariteit van Rutte III. In 2015 verloor het toenmalige kabinet als gevolg van de PS-verkiezingen de steun van de meerderheid in de Eerste Kamer en moest hierop voor diverse voorstellen ad hoc steun zoeken.

Verlies van draagvlak is denkbaar, maar een crisis is evenmin uitgesloten. In de parlementaire geschiedenis is het drie keer voorgekomen dat een kabinet ten val kwam kort na Provinciale Statenverkiezingen. De eerste keer gebeurde dat in 1958 met het laatste kabinet-Drees, de tweede keer in 1966 met het kabinet Cals en de derde keer in 1982 met het tweede kabinet Van Agt, het beruchte rampkabinet met PvdA-leider Den Uyl als superminister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In 1991 scheelde het overigens maar een haar of het laatste kabinet Lubbers, met PvdA-leider Kok op Financiën, was gevallen na een nederlaag van de PvdA bij de Provinciale Statenverkiezingen van dat jaar als gevolg van de WAO-crisis. Kok eiste – en kreeg – toen het vertrouwen op een speciaal bijeengeroepen partijcongres, en PvdA-partijvoorzitter Sint trad af.

1982 het kabinet sterft als een trage oude olifant

Het kabinet-Van Agt II, een coalitie van CDA-PvdA-D’66, ging de boeken in als een vechtkabinet. Toen het in mei 1982 viel, was het volgens televisiejournalist Cees Sorgdrager duidelijk dat de coalitie ‘alles heeft geprobeerd, maar nooit verder kwam dan hangen en wurgen’. Acht maanden na de beëdiging ging het kabinet onderuit omdat men het niet eens kon worden over de omvang van de bezuinigingen. De Statenverkiezingen van 24 maart 1982 hadden daarbij een rol gespeeld. De PvdA leed in de toen nog 11 provincies een fikse nederlaag. Toch duurde het nog even voordat het einde kwam: ‘Het kabinet sterft als een trage oude olifant, die dagen rondloopt om een geschikte plek te vinden’, noteerde vicepremier Jan Terlouw in mei 1982 in zijn dagboek.

1966 voorbode voor de Nacht van Schmelzer

Ook in 1966 hadden de verkiezingen voor de Provinciale Staten een destabiliserend effect. Op 23 maart 1966 verloren alle drie de partijen die het kabinet onder leiding van minister-president Cals stutten. De PvdA het meest: 6,5 procent, maar ook de KVP (-2,2 procent) en de ARP (-0,6 procent) gingen achteruit. Vooral de Boerenpartij profiteerde daarvan. Het bevestigde het beeld van de crisis van het gezag, waarvan het kabinet het voornaamste slachtoffer werd. Binnen de PvdA gingen stemmen op met het kabinet te breken. De sociaaldemocraten zagen daarvan af omdat zij niet de indruk wilden wekken weg te lopen voor verantwoordelijkheid. Dat zou de politieke geloofwaardigheid van de partij verder aantasten. Ook in de ARP en de KVP rommelde het, maar ook hier wenste niemand brokken te maken. Het kabinet viel uiteindelijk wel. Het vond zijn Waterloo in de roemruchte Nacht van Schmelzer, op 14 oktober 1966 om 04:40 uur in de ochtend.

1958 rooms-rode materiaalmoeheid

‘Materiaalmoeheid’ was volgens minister van Economische Zaken Jelle Zijlstra (ARP) de oorzaak geweest van de breuk in het vierde kabinet-Drees. De coalitiegenoten, vooral KVP en PvdA, waren elkaar beu geworden. Bij het debat over de verlenging van enkele belastingwetten in december 1958 zakte de rooms-rode tandem definitief in elkaar. Tot de (haar)scheuren moeten zeker de uitslagen van de Provinciale Statenverkiezingen van maart 1958 worden gerekend. De PvdA werd afgestraft voor haar steun aan het kabinetsbeleid van bestedingsbeperking. De KVP presenteerde zichzelf als de partij van de bezitsvorming en won met die strategie. Toen de sociaaldemocraten ook bij de gemeenteraadsverkiezingen in juni van dat jaar verloren, zaten de twee grootste partijen elkaar steeds vaker in de haren. Tweede Kamerlid en fractievoorzitter voor de CHU Tilanus zag dat gekibbel hoofdschuddend aan: ‘Moet dat nu zo?’.

Dr. Anne Bos is als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit te Nijmegen.