Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Achtergrond: Begrotingsbehandeling in Senaat

maandag 16 december 2019, 8:42

Deze week staan op de agenda van de Eerste Kamer twee begrotingen; die van Defensie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De laatste keer dat de meeste begrotingen echt werden besproken, was in 2004. In 2015 en was er alleen een debat over de begroting Veiligheid en Justitie. Het kwam toen ook tot een stemming, waarbij acht CDA-leden, onder wie Wopke Hoekstra, en enkele kleine fracties tegenstemden.

Als regel doet de Eerste Kamer begrotingen administratief af. Vanaf de jaren zeventig werden wel steeds op een later tijdstip dan beleidsdebatten gehouden. Vanaf 2004 werden enkele jaren alleen thematische debatten gevoerd naar aanleiding van de begroting. Zo waren er debatten over de inrichting en het functioneren van het binnenlands bestuur en over mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking.

Formeel kan de Eerste Kamer bij het budgetrecht een 'gewone' rol spelen, in de zin dat het wetsvoorstel wordt besproken en daarna in stemming komt, zonder dat daaraan nog iets kan worden gewijzigd. De Eerste Kamer mist immers het recht van amendement. In de praktijk vond de behandeling in de Senaat lange tijd pas plaats op het moment dat de begroting formeel al deels van kracht was.

In de jaren zeventig werd afgesproken dat - gezien dat praktische bezwaar en gelet op het politieke primaat van de Tweede Kamer - volstaan kon worden met afdoening als hamerstuk. Fracties konden dan wel aantekening vragen tegen te hebben gestemd. Zo liet de PSP bijvoorbeeld altijd aantekenen tegen de Defensiebegroting te zijn en volgden SP, PVV en PvdD een zelfde lijn, ook bij andere begrotingen. In 2016 was de CDA-fractie tegen de Defensiebegroting van het kabinet-Rutte II.

De Staatscommissie-Van Schaik was in 1954 in meerderheid vóór het ontnemen van het budgetrecht aan de Eerste Kamer, behalve voor enkele hoofdstukken (onder andere Hoge Colleges van Staat en Nationale Schuld). Praktisch was de betekenis ervan toch gering en zij betekende een zware belasting voor de bewindslieden. Ook de Staatscommissie-Cals/Donner deelde die mening. Zij wilde het budgetrecht zelfs geheel aan de Eerste Kamer ontnemen.

De Tweede Kamer verwees de suggestie van de Staatscommissie-Cals/Donner in 1975 af, door aanneming van de motie-De Kwaadsteniet, die uitsprak dat de positie van de Eerste Kamer niet mocht worden aangetast. PvdA, PPR, D'66, DS'70, PSP, CPN en Boerenpartij stemden toen vóór.