Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Alexander van Kessel: nu al een historische kabinetsformatie

Elke kabinetsformatie is uniek, maar het is weinig gewaagd nu al te voorspellen dat die van 2021 ‘historisch’ genoemd zal worden. De feitelijke coalitieonderhandelingen zijn eigenlijk nog niet eens begonnen, maar er is al genoeg gebeurd om de formatie-2021 iconisch te noemen. Alexander van Kessel schreef voor www.historici.nl een analyse over onverwachte wendingen en historische parallellen.

Strikt genomen diende één moment van onoplettendheid als een heuse gamechanger. De close-up van de paperassen van verkenner Kajsa Ollongren stak op 25 maart het lont in het kruitvat, vooral vanwege de woorden ‘Omtzigt: functie elders’. De verontwaardiging hierover was massief en Kamerbreed. Het leidde tot openbaarmaking van vele stukken (ook ambtelijke) die gewoonlijk in het beste geval pas vele jaren later door historici worden gezien. De stukken gaven inzage in een ‘bestuurscultuur’ die vervolgens door zo’n beetje iedereen werd verworpen, maar waaraan de meeste partijen de afgelopen vier decennia hun steentje hebben bijgedragen.

Elke kabinetsformatie heeft haar eigenaardigheden, veroorzaakt door de specifieke politieke context. Mogelijk met uitzondering van de formaties van 1986 en 1998, toen de door de kiezer beloonde zittende coalities werden geprolongeerd, was er steeds wel een onverwachte wending of uitkomst. En zelfs in 1986 en 1998 was het regelmatig erg spannend en stond de verwachte afloop ter discussie. Hoe dan ook, de historicus gaat graag op zoek naar historische parallellen en analogieën om patronen te ontdekken.

1963 en 1994: inhoud vóór coalitiekeuze

Doorgaans verloopt de kabinetsformatie in de volgorde: coalitiekeuze, programonderhandelingen, zetelverdeling en personenkeuze. Na ‘verkennersgate’ koos de Kamer voor een andere volgorde. Voor historisch vergelijkingsmateriaal kunnen we te rade gaan bij twee eerdere formaties waarin de inhoud voorafging aan de coalitiekeuze. De eerste was de formatie van 1963.

Voor de meerderheid in de toen nog oppermachtige confessionele partijen (76 zetels!) was na de Kamerverkiezingen van 1963 duidelijk wat er gebeuren moest: een vervolg van de succesvolle coalitie met de VVD. Met het oog op de linkervleugels in de KVP en de ARP moest de PvdA echter wel formeel een kans krijgen. Daarbij diende er zodanig gemanoeuvreerd te worden dat de PvdA zelf tot de conclusie moest komen dat kabinetsdeelname er niet in zat. Informateur Romme en formateur De Kort (allebei KVP) vlogen dat aan vanuit programmatische onderhandelingen met alle grote fracties. Dat betekende dat behalve de confessionelen ook PvdA en VVD aan tafel zaten. Toen het beoogde afhaken van de PvdA uitbleef - onderhandelaar Vondeling doorzag de opzet en stelde zich gewillig op - werd de KVP-top nerveus. De Kort werd gedwongen de gehoopte uitkomst te forceren en stuurde Vondeling van de onderhandelingstafel zonder een duidelijke uitleg te kunnen geven voor dat besluit. De Kort stond in zijn hemd; zijn politieke loopbaan was voorbij.

Toen de formatie in 1994 na twee maanden in een impasse leek te verkeren, kreeg PvdA-leider Kok de opdracht om eerst maar eens een conceptprogram op te stellen. Dat zou moeten worden voorgelegd aan de grote fracties; op basis van hun reacties kon dan de coalitie worden bepaald. Dit procedurevoorstel kwam overigens mede uit de koker van Tjeenk Willink, destijds Eerste Kamervoorzitter en in 1994 twee keer informateur. Op basis van gesprekken met de vier grootste fracties (PvdA, CDA, VVD, D66) stelde Kok een ‘proeve van een regeringsprogramma op hoofdlijnen’ op. Van de vier fractievoorzitters reageerde CDA-leider Brinkman het minst enthousiast, waarna op het eerste paarse kabinet aangekoerst kon worden.

Het resultaat van deze twee casussen is niet eenduidig. Het kabinet-Marijnen, dat aan het einde van de formatie van 1963 aantrad, sneuvelde al na ruim een jaar. Het kabinet-Kok dat in 1994 tot stand kwam, zat de rit uit en wordt doorgaans als een succes gezien.

1981: een ongewenste premier en een onmogelijk kabinet

De formatie van 2021 roept in bepaalde opzichten ook herinneringen op aan die van 1981. De PvdA wilde toen na vier frustrerende oppositiejaren graag weer meeregeren, maar moest daarvoor wel slikken dat Dries van Agt de premier van dat kabinet werd. De weerzin bij de PvdA tegen Van Agt was enorm. Die werd niet alleen veroorzaakt door diens herhaaldelijk beleden voorkeur voor een (nieuw) kabinet met de VVD, maar ook door zijn persoonlijke habitus. In alles leek de relativerende, grillige Van Agt de tegenvoeter van de ernstige wereldverbeteraar Den Uyl. Met lange tanden aanvaardde een meerderheid van de PvdA-fractie Van Agt als premier, maar de afloop van dat ‘rampkabinet’ is bekend. Binnen een jaar was het gevallen zonder iets noemenswaardigs tot stand te hebben gebracht. Als de coalitiepartners hun afkeer tegen minister-president Rutte op hetzelfde niveau handhaven, gaat diens vierde kabinet - als het er komt - een weinig vruchtbare periode worden.

Gelukkig herhaalt de geschiedenis zich nooit helemaal hetzelfde.

 

Alexander van Kessel is onderzoeker bij het CPG.

Met dank overgenomen van www.historici.nl Dossier Kiezen & Formeren