Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Radicale en constructieve oppositie

Simon Otjes, verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen 

Na de presentatie van de begroting op Prinsjesdag nadert het uur van de waarheid. Tijdens de kabinetsformatie van vorig jaar namen de PvdA en VVD een gok. Samen hadden de partijen wel een meerderheid in de Tweede Kamer, maar niet in de Eerste Kamer. De sociaaldemocraten en liberalen rekenden er op dat de senatoren van de oppositiepartijen zich niet door politieke overwegingen zouden laten leiden en zich  constructief zouden opstellen. Is dit een terechte inschatting of een gevaarlijke gok?

Opstelling ten aanzien van wetsvoorstellen

Het stemgedrag van de oppositiepartijen bij wetsvoorstellen in het verleden kan helpen een antwoord te geven op deze vraag. Helaas zijn er alleen gegevens beschikbaar over de opstelling van de oppositiepartijen in de Tweede Kamer en niet van hun stemgedrag in de Eerste Kamer.[1] Volgens de voormalige PvdA-senator Han Noten volgden de Eerste Kamerleden echter vrijwel zonder uitzondering bij alle stemmingen in de periode 2003-2012 – in totaal ongeveer 1.500 – het voorbeeld van hun collega’s in de Tweede Kamer. Hij noemde dit – tongue in cheek – de ‘de ijzeren wet van Noten’: ‘een fractie in de Eerste Kamer zal een regering nooit aan een meerderheid helpen als haar partijgenoten in de Tweede Kamer tégen het desbetreffende wetsvoorstel hebben gestemd.’[2]

Gezien de ‘wet van Noten’ is het dus uiterst relevant te kijken naar het stemgedrag van de oppositiepartijen in de Tweede Kamer, omdat die immers in zeer sterke mate de opstelling in de Eerste Kamer ‘voorspellen’. Uit tabel 1 blijkt dat in de afgelopen vijftien jaar oppositiepartijen in de Tweede Kamer over het algemeen vaker voor wetsvoorstellen van het zittende kabinet stemmen dan daartegen: dit loopt van 74 tot 97% in stemming.[3] De parlementaire behandeling van wetgeving lijkt te zijn gedepolitiseerd, hoe vreemd dit ook mag klinken. Wetsbehandelingen zijn in Nederland zo gedepolitiseerd dat ze door de journalist D.J. Eppink vergeleken werden met bijbellezingen:[4] ook Tweede Kamerleden beoordelen in de meeste gevallen wetgeving op haar merites en niet op politieke gronden. Ongeveer 60% van de wetgeving wordt daar goedgekeurd zonder enige tegenstem.

Tegelijkertijd valt het onderscheid op tussen enerzijds een meer radicale en anderzijds een meer constructieve oppositie. De traditionele regeringspartijen PvdA, VVD en CDA stemmen in met circa 90% van de wetsvoorstellen als ze in de oppositie zitten. Dat geldt ook voor de ChristenUnie, D66 en SGP. Zij vormen de ‘constructieve oppositie’, waartoe ook GroenLinks kan worden gerekend, zeker in de laatste jaren. Deze partij stemde nota bene vaker in met wetgeving van het door haar als ‘knetterrechts’ aangeduide kabinet-Rutte I, dan met wetsvoorstellen van het centrum-rechtse kabinet-Balkenende II. Tot de ‘radicale oppositie’ kunnen partijen als SP, PVV en de PvdD worden gerekend, die veel minder vaak instemmen met de wetsvoorstellen.

'reddende engelen’

Constructieve oppositiepartijen voeren  - in de woorden van Hans van Mierlo - "oppositie vóór het kabinet".  Zij nemen niet elke gelegenheid te baat om het kabinet naar huis te sturen. Toen in 2006 regeringspartij D66 geen steun gaf aan de militaire missie naar Uruzgan, hielp oppositiepartij de PvdA de regeringscoalitie uit de brand. Oppositiepartijen hielpen het minderheidskabinet-Rutte aan een meerderheid ten behoeve van de financiële steun voor zwakke landen in de eurozone. Na de val van dit kabinet kwam het vijfpartijenakkoord tot stand.  In totaal zijn er in de afgelopen tien jaar zeven van zulke momenten geweest waarbij de regering op cruciale thema’s niet op een meerderheid kan rekenen (tabel 2). Vanuit de oppositie heeft D66 het zittende kabinet in 75% van de gevallen gesteund, de ChristenUnie in 71% en de SGP in 57% van de gevallen. Dit zijn overigens ook de partijen die bij stemmingen vaak met de regeringscoalitie meestemmen. VVD, PvdA en CDA fungeren in dergelijke gevallen veel minder vaak als reddende engel: wanneer zij in de oppositie verkeren, zijn zij minder geneigd om de coalitie te steunen.

SP en PvdD hebben in een dergelijke situatie waarin de regeringscoalitie niet over een meerderheid beschikte, nooit hun steun verleend. Wilders had tussen 2004 en 2006 een bijzonder rol: als uitgetreden VVD-Kamerlid steunde hij het kabinet ook regelmatig, maar daarna koos hij met de PVV voor een veel confronterende oppositiestijl.

Zo zien we eigenlijk dat er behalve de drie klassieke regeringspartijen, er een viertal constructieve oppositiepartijen zijn: ChristenUnie, D66, SGP en GroenLinks. Dit is niets nieuws: al in de jaren '80 werd er gesproken over de gouvernementele houding van de kleine christelijke partijen. Op cruciale momenten tijdens het kabinet-Van Agt I kon de christendemocratische premier op meer steun rekenen vanuit klein-rechtse hoek dan vanuit de loyalisten in zijn eigen CDA-fractie.

De coöperatieve rol van de oppositie is een uiting van de Nederlandse consensusdemocratie. Op belangrijke thema's kon en kan het kabinet altijd rekenen op een welwillende houding en een zakelijke benadering vanuit de oppositiebankjes.

Begrotingsconsensus

Het heetste hangijzer voor dit kabinet is de begroting. Hierin zit zijn voornaamste ambitie besloten: bezuinigen om aan de Europese norm te voldoen. Heeft het kabinet in dit op zicht iets van de oppositie te vrezen? Partijen stemmen bijna nooit tegen de begroting. Wetgeving met een financiële component kan rekenen op een grote steun van zowel de coalitie als de oppositiebankjes. Tussen 1995 en 2012 werd 75% hiervan zonder tegenstem aangenomen. Bij begrotingen ligt dat percentage op 80%.

In het verleden stemden de PSP, GroenLinks en de SP symbolisch tegen de defensiebegroting. Zo wilden ze hun antimilitaristische positie tonen. Maar zelfs als je tegen het kabinet bent, betekent dat niet dat je ambtenaren, onderwijzers, verplegend personeel en uitkeringsgerechtigden in financiële moeilijkheden wil brengen: tegen de begroting stemmen betekent namelijk dat oude begroting blijft gelden en die is niet gecorrigeerd voor de groei van de economie. Je zou kunnen zeggen dat de begroting te belangrijk is voor partijen om daar politieke spelletjes mee te spelen.

Als deze traditie van consensusdemocratie zich voortzet in de Eerst Kamer, heeft het kabinet niets te vrezen. In die zin zit er geen weeffout in het kabinet maar hebben de formateurs en de onderhandelende partijleiders gerekend op de traditie van Nederlandse consensusdemocratie. De toekomst zal uitwijzen of hun vertrouwen in de constructieve oppositie gerechtvaardigd is.

 Tabel 1: Steun voor wetgeving 1998-2012

Cabinet

Periode

PvdA

VVD

CDA

D66

CU

LPF

PVV

GL

SGP

SP

PvdD

Kok II

1998-2002

99

96

89

98

91

.

.

87

88

79

.

Balkenende IIa

2003-2006

90

96

97

98

91

94

94

78

92

74

.

Balkenende IV

2006-2010

99

86

100

93

99

.

78

91

97

82

83

Rutte I

2010-2012

88

97

98

91

90

.

88

87

97

76

74

Coalitiespartijen in italics

Tabel 2: Zeven voorbeelden van steun vanuit de opposite

Onderwerp

Jaar

PvdA

VVD

CDA

D66

CU

LPF

PVV

GL

SGP

SP

PvdD

Kinderopvang-wet

2004

Tegen

Voor

Voor

Tegen

Voor

Voor

.

Tegen

Tegen

Tegen

.

Uruzganmissie

2006

Voor

Voor

Voor

Tegen

Voor

Voor

Voor

Tegen

Voor

Tegen

.

Vertrouwen in Verdonk

2006

Voor

Tegen

Tegen

Voor

Voor

Tegen

Tegen

Voor

Tegen

Voor

.

Kunduzmissie

2011

Tegen

Voor

Voor

Voor

Voor

.

Tegen

Voor

Voor

Tegen

Tegen

ESM

2011

Voor

Voor

Voor

Voor

Tegen

.

Tegen

Voor

Tegen

Tegen

Tegen

Pensioen-akkoord

2011

Voor

Voor

Voor

Tegen

Voor

.

Tegen

Tegen

Voor

Tegen

Tegen

Vijfpartijen-akkoord

2012

Tegen

Voor

Voor

Voor

Voor

.

Tegen

Voor

Tegen

Tegen

Tegen

Steun / Mogelijkheden

-

3/7

0/0

0/0

3/4

5/7

3/3

2/3

3/7

4/7

0/7

0/4

Coalitiepartijen in italics


[1] De stemmingsdata zijn verzameld door Tom Louwerse en Simon Otjes.

[2] Han Noten, ‘Senaatsmeerderheid is lang niet zeker’, in: NRC Handelsblad, 29 september 2012.

[3] In de analyses zijn tevens de door Tweede Kamerleden ingediende wetsvoorstellen betrokken, maar hun aantal is zo gering dat dit de resultaten niet noemenswaardig beïnvloedt.

[4] Eppink, D.J. (2003) Vreemde Buren. Over Politiek in Nederland en België.