Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

1813, een feestje waard

Ank Bijleveld-Schouten, voorzitter Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk

Het volk stond met duizend man te juichen en te dansen, toen prins Willem Frederik als bij wonder landde. Dat is de teneur van negentiende eeuwse beschrijvingen van de gebeurtenissen op het strand van Scheveningen op 30 november 1813. Inmiddels weten we dat er niet veel mensen waren en dat het al avond werd op dat strand. Scheveningen heeft vanaf 1838 de landing eens in de 25 jaar gevierd en vanaf 1888 bovendien met opvoeringen, reenactments. Ook dit jaar gebeurt dat. De viering in Scheveningen is eens in de 25 jaar, de nationale viering eens in de 50 jaar.

Er wordt soms gevraagd waarom 1813 nu een feestje waard is. Vanaf de eerste viering in 1863 is het antwoord daarop steevast geweest dat in 1813 de onafhankelijkheid werd hersteld en een nieuw begin werd gemaakt. De inwoners wilden in 1813 Napoleon kwijt en weer zelfstandig zijn, zoals in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Tegelijk wilde men echter in 1813 een aantal ’Franse’ vernieuwingen behouden, waaronder een constitutie, centraal bestuur (met ministeries), scheiding van kerk en staat en onafhankelijke rechtspraak. Maar dan wel weer gecombineerd met ‘Hollandse vrijheidsrechten’ voor bijvoorbeeld provincies en gemeenten; later ook voor bijvoorbeeld scholen. Ook wilde men de terugkeer van een centrale plaats in het bestuur voor een lid van het Huis van Oranje, nu echter niet als stadhouder, zoals in de Republiek, maar als koning.

Het leverde een geheel eigen politiek systeem (geen democratie) op met een Staten-Generaal, Raad van State, Rekenkamer, ministeries, enz.. Hoewel de namen van veel instellingen dezelfde waren als ten tijde van de Republiek, waren hun taken en bevoegdheden vrijwel geheel nieuw. Er ontstond aldus een nieuwe eigensoortige staatsopbouw met een Grondwet (1814) voor de Verenigde Nederlanden, waarvan bepalingen nog doorwerken tot in onze huidige Grondwet; soms zelfs letterlijk, zoals in artikel 50: ‘De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk’. Anders dan Nederland ooit gekend had, kreeg het daarnaast in 1813 een Tweekamerstelsel (1815), een Oranje als koning, en bestuur en recht die bovendien zo werden vormgegeven dat ze aansloten bij nationale tradities.

De aldus ontstane nieuwe staat stimuleerde alleen al door zijn bestaan de nationale samenhang, die daarenboven op vele andere manieren werd bevorderd via spoor-, weg- en waterverbindingen en schoolvakken als Nederlands en geschiedenis. Zeker als men bij dit alles ook nog eens beseft dat het staatsvormingsproces vanaf 1813 - afgezien van de Belgische afscheiding - met zo weinig geweld is verlopen, is 1813 een feestje waard.  

Dit artikel verscheen in De Hofvijver nr. 36 d.d. 25 november 2013.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 25 november 2013.