Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Over onzorgvuldige wetgeving

Aalt Willem Heringa, hoogleraar vergelijkend constitutioneel en administratief recht aan Universiteit Maastricht.

Weet u het nog? Direct na de kabinetsformatie 2012 – dus twee jaar geleden - was er gedoe over de onafhankelijke zorgpremie. Dus stemde de PvdA in met een wijziging van het coalitieakkoord. De Tweede Kamer nam daarop de motie Zijlstra/Samsom aan waarin de regering gevraagd werd af te zien van de onafhankelijke zorgpremie en de ‘de gewenste verkleining tussen hoge en lage inkomens te bewerkstelligen door de algemene heffingskorting en arbeidskorting van lage en middeninkomens te verhogen en vervolgens inkomensafhankelijk af te bouwen” (TK 33.410, nr. 32). En zo geschiedde in 2013 bij het Belastingplan 2014. Vervolgens is bij de begrotingsafspraken voor 2014 die afbouw nog aangepast.

Kort geleden bleek nu dat zo’n 5 tot 6 miljoen Nederlanders volgend jaar (dus in 2015) te maken krijgen met een naheffing van de Belastingdienst of een lagere teruggave, aldus een schatting van staatssecretaris Wiebes van Financiën in antwoorden aan de Tweede Kamer over het Belastingplan 2015.

De naheffingen hebben te maken met een afbouw van de heffingskortingen, die sinds 2014 inkomensafhankelijk zijn, waardoor in veel gevallen belasting moet worden bijbetaald of minder belasting wordt teruggegeven. Voor 2014 was de heffingskorting voor iedereen even hoog, zie ook de [website van de Belastingdienst].

Waarom is dat niet gewoon in 2014 verwerkt in de belastingbetalingen en teruggaves? Dat staat ook te lezen op de site van de belastingdienst:

 

Vanaf 1 januari 2014 is een aantal belastingregels veranderd. Zo is de algemene heffingskorting, net als de arbeidskorting, inkomensafhankelijk geworden. De wijzigingen werden pas definitief nadat wij de voorlopige aanslagen over 2014 hadden verstuurd. Daarna konden deze wijzigingen niet meer worden verwerkt. Mogelijk is uw te betalen voorlopige aanslag 2014 te laag geweest of is uw teruggave te hoog geweest. Vanaf 1 maart 2015 kunt u aangifte doen over 2014 met de vooraf ingevulde aangifte. Dan ziet u hoeveel u precies moet betalen of terugkrijgt. In de zomer van 2015 krijgt u vervolgens een aanslag over 2014 van ons. In die aanslag staat het bedrag dat u moet betalen of terugkrijgt.

Tsja, dat is wel erg ongemakkelijk en niet erg fraai. Het roept bij mij de vraag op wie het verzint om nog regels te veranderen voor een specifiek kalenderjaar, als die wijzigingen in dat kalenderjaar niet meer kunnen verwerkt. En pas het jaar daarop met terugwerkende kracht kunnen worden uitgevoerd. Dat is toch wel erg slordige wetgeving of gebrek aan aandacht bij de wetgever over de uitvoering van een regel. We kunnen daarvan de belastingdienst of de staatssecretaris de schuld geven, maar het ligt toch op de weg van de wetgever, dus ook de Staten-Generaal, om er rekening mee te houden of een regel nog wel (goed) kan worden uitgevoerd. In antwoorden op Kamervragen van Omtzigt (TK 2014, aanhangselnummer 423) staat nog het volgende: ”Bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan (2014) is duidelijk gemaakt dat de afbouw van deze heffingskortingen niet meer volledig in de voorlopige aanslag en in de loonbelastingtabellen verwerkt kon worden en dus zou gaan leiden tot een bijbetaling in de aangifte inkomstenbelasting over 2014.” En vervolgens worden diverse passages uit 2013 aangehaald waaruit bleek dat de staatssecretaris, het kabinet en de Staten-Generaal op de hoogte waren.

De ophef in de Staten-Generaal is dus ernstig misplaatst. En gaat er ten onrechte over dat er in 2015 nog moet worden betaald over 2014. Men was op de hoogte en heeft desondanks het belastingplan aanvaard. Zo vroeg Omtzigt tendentieus of er nog andere fouten zijn gemaakt in de voorlopige teruggave en terecht antwoordt de staatssecretaris dat het bovenstaande probleem niet een fout was. Terecht is de ophef onder de belastingbetalers echter wel: van de wetgever mag toch verwacht worden dat er wetgeving gemaakt wordt die ook tijdig kan en zal worden uitgevoerd. De destijds aanvaarde regels zijn een voorbeeld van onzorgvuldige, want niet tijdig uitvoerbare regels. Daarover dient de wetgever zich schuldig te voelen, en die onzorgvuldigheid en niet tijdigheid hoort de wetgever zich aan te rekenen. Men had ofwel de uitvoering van de motie Zijlstra/Samsom van eind 2012 eerder ter hand kunnen nemen, zodat deze verwerkt kon worden in de uitvoering over 2014, of de uitvoering met een jaar dienen uit te stellen. En niet de kop in het zand steken en onzorgvuldigheid op de koop toe nemen. Dat vergroot het respect voor de wetgever niet, en evenmin de belastingmoraal.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 24 november 2014.