Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Strijd om het Tweede Kamervoorzitterschap

14 januari 2016, Bert van den Braak

Dat er in vier rondes moest worden beslist over de vraag wie Tweede Kamervoorzitter zou worden, is niet uniek. Een zo lange strijd kwam evenwel niet veel voor. Wel was er enkele keren een gering verschil tussen twee kandidaten, zelfs van één stem, en één keer moest worden geloot.

Tot 1983 ging het daarbij overigens formeel om de voordracht die aan de Koning werd aangeboden. De volgorde van de nominatie werd echter altijd gevolgd. Pas vanaf 1983 kiest de Kamer zelf de Voorzitter.

Spannende strijd

De ene keer dat het lot nodig was om te bepalen wie Kamervoorzitter zou worden, was in september 1868 toen de liberaal W.H. Dullert en de conservatievere jhr. G.C.J. van Reenen tegenover elkaar stonden. Na vier rondes was er geen winnaar. Het lot was Van Reenen gunstig gezind. Een jaar later besloot Van Reenen echter zelf zich terug te trekken, ook uit de Kamer. Daarna was Dullert tot zijn dood in februari 1881 Kamervoorzitter.

Dullert en Van Reenen waren eerder, in 1858, ook al tegen elkaar in het strijdperk getreden. Ook toen waren vier stemrondes nodig. In die vierde ronde won Van Reenen. In april dat jaar had Dullert al met één stem verschil een nederlaag geleden tegen W.A. baron Schimmelpenninck van der Oye. Hij had echter eerder zelf, in 1852, met twee stemmen verschil in de derde ronde de zittende voorzitter jhr. W. Boreel van Hogelanden verslagen.

Geringe verschillen waren er ook in 1849, toen Thorbecke het met twee stemmen verschil aflegde tegen J.K. baron van Goltstein. In 1885 was er één stem verschil tussen de liberaal E.J.J.B. Cremers en de antirevolutionair Æ. baron Mackay. Vier stemrondes waren er in 1881 nodig, voordat de liberaal O. van Rees als sterkste uit de strijd tegenover de conservatief A. baron Schimmelpenninck van der Oye.

Na de dood van Dullert was er in februari 1881 een echte strijd tussen twee liberalen, C.J.F. Mirandolle en J.G. Gleichman. Mirandolle, exponent van de 'linkervleugel', haalde het met 41 tegen 32 stemmen.

Uit de grootste

Na 1888 was er vrijwel nog nauwelijks echte strijd. De voorzitter kwam vanaf dat jaar uit de grootste fractie of, zoals in 1912 de christelijk-historische Graaf Van Bylandt, uit het grootste 'blok'. De zittende voorzitter jhr. G. Beelaerts van Blokland legde het daarom in 1891 af tegen de liberaal Gleichman. Alleen in 1918 werd, met de herverkiezing van D. Fock, afgeweken van dat stramien. Fock was lid van de relatieve kleine fractie van de Liberale Unie.

Ook na 1972 werd soms afgeweken van de regel dat de grootste fractie de voorzitter mocht leveren. De zittende voorzitters Frans-Josef van Thiel (in 1971), Dick Dolman (1981 en 1986) en Wim Deetman (1994) konden zodoende worden herkozen.

Toch betwist

Alleen in maart 1959 was er enige strijd, omdat met name de PvdA ontevreden was over de handelwijze van Kamervoorzitter Kortenhorst na de kabinetscrisis van 1958. Kortenhorst (KVP) had tegen de zin van de PvdA (en van het kabinet-Drees) afhandeling van belastingvoorstellen doorgezet. De PvdA-leden stemden toen op een andere KVP'er, maar Kortenhorst werd wel gekozen. In september 1959 en september 1960 herhaalden de PvdA-fractie haar handelwijze.

Ook bij de verkiezing van Piet Bukman in december 1996 vond een stemming plaats. Op zijn fractiegenote Ali Doelman, tot dan ondervoorzitter van de Kamer, werden toen 45 stemmen uitgebracht.

Na 1998

In 1996 besloot de Tweede Kamer op voorstel van de SP-fractie dat voortaan vooral zou worden gelet op kwaliteit. Niet langer zou de grootste fractie de Voorzitter leveren of zouden afspraken de verkiezing bepalen. Er kwam nu ook een profielschets. In 1998 kwam die vrije keuze overigens nog niet geheel uit de verf, toen de PvdA Jeltje van Nieuwenhoven naar voren schoof als voornaamste kandidaat. Er vond toe echter al wel een debat plaats, voorafgaand aan de verkiezing.

In 2002 versloeg Frans Weisglas onder anderen zijn fractiegenote Annemarie Jorritsma. Weisglas had zichzelf kandidaat gesteld.

In 2006 en 2012 waren er drie stemrondes nodig. In 2006 versloeg Gerdi Verbeet in de derde rond Maria van der Hoeven met 78 tegen 66 stemmen, nadat Henk Kamp was afgevallen. In 2012 won Anouchka van Miltenburg de verkiezing van Khadija Arib, nadat Gerard Schouw na de tweede ronde afviel.

 

Dit artikel verscheen in de Hofvijver, de digitale nieuwsbrief van het Montesquieu Instituut