Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Observaties over de voorzittersverkiezing

Carla Hoetink en Anne Bos, werkzaam bij respectievelijk de afdeling Politieke Geschiedenis en het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, Radboud Universiteit.

Khadija Arib is sinds 13 januari de nieuwe Kamervoorzitter. Nog nooit kreeg de strijd om de voorzittershamer zoveel aandacht. Het tussentijdse vertrek van Anouchka Van Miltenburg was daar in meerdere opzichten debet aan: dat was een novum in de geschiedenis, het viel niet samen met Kamerverkiezingen en vond haar aanleiding in een politiek conflict over de informatiepositie van de Tweede Kamer. Op de achtergrond etterde bovendien de vraag naar de persoonlijke geschiktheid van de voorzitter. Een andere – simpelere – verklaring voor de overmatige interesse was het gebrek aan ander politiek nieuws, zo kort na het kerstreces.

In Trouw schreven we voorafgaand aan de verkiezing vijf lessen voor de aankomende Kamervoorzitter, geïnspireerd op het verleden. Wat zijn nu, terugblikkend, de lessen uit deze voorzittersverkiezing?

1. Verrassingen bleven uit

Vooraf werd druk gespeculeerd over een spannende strijd en een mogelijk verrassende uitslag, mede dankzij de geheime stemmingen. Boeiend voor Binnenhofwatchers was het zeker, het acht uur durende debat met maar liefst vier kandidaten van zeer uiteenlopende stijl, culminerend in het kruisverhoor van PVV’er Martin Bosma over de vraag of hij Wilders’ kwalificatie van ‘nepparlement’ onderschreef. Tot dat moment was de sfeer in het debat sprongsgewijs steeds beter geworden, mede dankzij de kwinkslagen van verschillende woordvoerders en kandidaten. Bosma kreeg last but not least onbetwist de meeste lachers op zijn hand. Zou de Kamer dan toch...? Maar na Bosma’s weigering om afstand te nemen van het N-woord leken zijn kansen definitief verkeken.

Verassingen bleven dan ook uit, in de eerste stemronde. Arib kreeg 58 stemmen, van haar eigen PvdA, gesteund vermoedelijk door de andere fracties op links; Ton Elias had precies even veel stemmen als de VVD zetels telt; en Bosma kreeg 16 stemmen: rekenkundig niet meer dan van PVV en ex-PVV samen. Precies weten doen we het bij een geheime stemming nooit, maar de meeste fracties leken in de lijn der verwachting te stemmen. Alleen bij D66 was de keuze naar eigen zeggen ‘vrij’. De stemming werd eigenlijk pas echt spannend na de derde ronde, toen Martin Bosma en Madeleine van Toorenburg afvielen en met name degenen die op Van Toorenburg hadden gestemd met hun nieuwe keuze de doorslag konden geven. Voor de derde keer deelden de Kamerbodes een gekleurd stembriefje uit, wat herinneringen opriep aan het CDA-congres van 2010. In de beslissende ronde brachten maar liefst 24 Kamerleden bewust een ongeldige stem uit – dat was misschien wel de grootste verrassing. Van de 134 overgebleven stemmen kreeg Arib er uiteindelijk 83, een ruime meerderheid.

2. De verkiezingen zijn meer open, maar hebben ook het afbreukrisico vergroot

Het werd tijdens het debat veelvuldig opgemerkt: voor geen enkele andere baan in Nederland ligt je sollicitatie vooraf op straat en vinden de gesprekken in alle openbaarheid plaats.

De vrije verkiezing maakt bovendien precies zichtbaar hoe groot het draagvlak is bij de start – en het is makkelijk te achterhalen welke fracties eigenlijk een ander op de stoel hadden gewild. Sterker, dankzij de media konden we zelfs de indruk krijgen dat zowel Arib als Elias niet eens de steun had c.q. de eerste keus was van  de eigen fractie.

Deze verkiezingen bewezen daarmee opnieuw dat de vrije en open voorzitterskeuze, met alle argumenten die daarvóór pleiten, niet direct leidt tot versterking van de voorzitter als primus inter pares van de Kamer. Doordat kandidaatstelling en verkiezing gepaard gaan met stevige politieke strijd – dit jaar zelfs met persoonsgerichte insinuaties in de pers –, zijn politieke zwaargewichten terughoudender geworden om zichzelf naar voren te schuiven. Afkomst (Arib/Bosma) en uiterlijk (Elias) leken ineens relevante criteria, zeker als we anonieme Kamerleden en social media moesten geloven. Het was naar Nederlandse maatstaven een harde campagne. Ook dat kwam in het debat van 13 januari terug: je moet wel lef hebben om je na dit alles nog kandidaat te willen stellen. Zal Ton Elias zich na twee mislukte sollicitaties nog een derde keer voor de leeuwen willen gooien?

3. Parlementaire ervaring is van doorslaggevend belang gebleken

Van de naoorlogse voorzitters moet Arib slechts L.G. Kortenhorst, Anne Vondeling en Frans Weisglas boven zich dulden in anciënniteit. Kortenhorst, van 1948 tot 1963 de langstzittende Kamervoorzitter ooit, was al onafgebroken lid sinds 1925. Vondeling had er ruim 20 jaar in de Kamerbankjes opzitten en was tussendoor nog minister geweest voordat hij in 1972 met de hamer ging zwaaien. Frans Weisglas was op de kop af twintig jaar Kamerlid. Khadija Arib zit daar met zeventien jaar (6365 dagen) Kamerervaring niet ver vanaf. In een tijd waarin de gemiddelde Kamerervaring is gezakt tot onder de vier jaar krijgt deze ervaring nog meer reliëf. Er zijn maar twee Kamerleden die langer lid zijn dan zij: Van Bommel en Van der Staaij zitten 100 dagen langer.

Ervaring heeft dit keer een doorslaggevende rol gespeeld, omdat deze Kamervoorzitter middenin een kabinetsperiode de hamer moest overnemen. Over 14 maanden – of eerder – staat er weer een kabinetsformatie voor de deur, waarin de Kamer opnieuw het voortouw zal moeten nemen. De voorzitter fungeert hier als spin in het web en kan zich geen beginnersfouten veroorloven. Daar komt nog bij dat de Kamerorganisatie net behoorlijk op de schop is gegaan en er belangrijke personele wisselingen hebben plaatsgevonden, met een nieuwe griffier en twee nieuwe directeuren. Alle fracties waren ervan doordrongen dat een voorzitter die dit proces als lid van het Presidium al eerder van dichtbij had meegemaakt absoluut de voorkeur verdiende. Van Toorenburg, de enige kandidaat zonder die ervaring, stond wat dit betreft bij voorbaat op achterstand.

4. De verkiezing van de voorzitter is meer een zaak van het publiek geworden

De nadruk op de achtergrond van twee kandidaten, Arib versus Bosma, heeft de publieke aandacht voor de verkiezing enorm aangewakkerd. Via de (sociale) media ventileerden politiek commentatoren van serieuze en minder serieuze snit vrijelijk hun mening. Een van hen twitterde vlak voor de stemming: ‘Over tien minuten gaat de Kamer de kloof met de burger weer vergroten’. Als we deze media willen geloven, was heel Nederland verdeeld in twee kampen: de voorstanders van Arib, die schande spraken van discriminatie op grond van afkomst en de kandidatuur van een migrantendochter als toppunt van emancipatie en integratie beschouwden, tegenover de supporters van Bosma, die het ongehoord vonden dat een lid vanwege zijn politieke richting geen kans maakte terwijl vriend en vijand hem als een kundig voorzitter van de vergadering beschouwden.

In het licht van deze publieke belangstelling zal het interessant zijn om te zien hoe de voorzittersverkiezing zich verder zal gaan ontwikkelen. Wordt er op deze manier een voorschot genomen op het rechtstreeks verkiezen van de burgemeester of de minister-president?

5. De voorzitter als hoeder van het aanzien van de politiek? De Kamer is verdeeld

Voor, tijdens en na het debat ging het over de vraag hoe de nieuwe Kamervoorzitter zou omgaan met grensoverschrijdend taalgebruik of gedrag. Wilders’ kwalificatie ‘nepparlement’ was daarbij steeds de casus. In het publieke debat lijkt de heersende opinie dat de toenmalige voorzitter op zijn minst een moment had moeten stilstaan bij zijn uitlating. In de Kamer blijkt de speelruimte echter klein. Vrijheid van meningsuiting gaat er op dit moment boven bescherming van het aanzien van de instituties van democratie en rechtstaat. Eén van de kandidaten sprak zelfs van een ‘Verbeet-doctrine’, naar de terughoudende opstelling van voormalig Kamervoorzitter Gerdi Verbeet. Nadat zij in 2007 veel kritiek had gekregen op haar dreiging een PVV-Kamerlid het woord te ontnemen, ging zij bij alle fractievoorzitters langs met de vraag wat in voorkomende gevallen te doen. Hun antwoord luidde in feite: niets. De fractievoorzitters wilden dat de Kamerleden vooral elkaar desgewenst van repliek gingen dienen. Daarmee was glashelder aangetoond dat een Kamervoorzitter niet meer ruimte heeft om op te treden dan de volksvertegenwoordigers hem of haar toestaan. Dat zal ook de nieuwe voorzitter, Arib, gaan merken.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 25 januari 2016.