Waarom screenen we ministers en staatssecretarissen zo anders dan wethouders?

maandag 30 maart 2026, 13:00, Niels Karsten

Het vertrek van Nathalie van Berkel als kandidaat-staatssecretaris en Tweede Kamerlid na ophef over haar cv riep de nodige vragen op over de screening van politieke ambtsdragers. De casus laat zien dat het verstandig is om ministers en staatssecretarissen een gedegen risicoanalyse integriteit te laten doorlopen, in plaats van een vrijwillig zelfassessment. Bij bijna alle wethouders gebeurt dat al wel. Sowieso is de screening van wethouders wezenlijk anders ingericht dan die van bewindslieden. De verschillen zijn echter lang niet altijd even consistent doordacht.

Het uitgangspunt bij de screening van politieke ambtsdragers in Nederland is dat de democratie haar werk moet kunnen doen: de kiezer bepaalt wie hem vertegenwoordigt, en de volksvertegenwoordiging kiest vervolgens haar uitvoerend bestuurders. Beiden worden daarbij zo min mogelijk beperkt. De screening van politieke ambtsdragers is daarom in de basis relatief licht. Zo zijn politieke functies grondwettelijk uitgesloten van veiligheidsonderzoek, op basis waarvan ambtenaren die een risico vormen voor de nationale veiligheid een functie kan worden geweigerd. Voor zover er screening plaatsvindt, heeft die vooral een adviserende functie: ze brengt integriteitsrisico’s in kaart en maakt betrokkenen daarvan bewust maar houdt niet tegen dat iemand de betreffende functie alsnog gaat vervullen. Dat zou namelijk een inperking zijn van het grondwettelijk geborgde actieve en passieve kiesrecht . In reactie op integriteitskwesties uit het verleden heeft zich evenwel een rijke screeningspraktijk ontwikkeld rond politieke ambtsdragers, met zowel formele als meer informele instrumenten. Die komt de bestuurlijke integriteit ten goede, maar creëert tegelijk grote en fundamentele verschillen tussen bestuursniveaus. Die verschillen zijn lang niet altijd bewust gecreëerd en de betekenis en gevolgen ervan zijn vaak niet consistent doordacht. Dat punt laat zich goed illustreren aan de hand van wethouders.

De screening van ministers en staatssecretarissen

Voorafgaand aan hun benoeming doorlopen ministers en staatssecretarissen de zogenoemde ‘naslag’ door drie overheidsdiensten. De AIVD raadpleegt daarbij de eigen systemen om te bepalen of er informatie beschikbaar is die een risico kan vormen voor de integriteit van het openbaar bestuur, het ministerie van Justitie en Veiligheid doet een zoekslag in het Justitieel Documentatie Systeem en de Belastingdienst verricht een controle in het fiscale dossier van de kandidaat. Hoewel deze naslag cruciale integriteitsrisico’s aan het licht kan brengen, is het een relatief lichte vorm van screening. Het betreft een zoekslag in bestaande bestanden en geen actief onderzoek. Er worden dus geen aanvullende of nieuwe bronnen geraadpleegd en maar op een beperkt aantal terreinen naar integriteitsrisico’s gekeken. Bovendien geven de betrokken diensten geen oordeel over de benoembaarheid van de kandidaat. Zij melden slechts aan de formateur of er relevante informatie gevonden wordt. Het is vervolgens aan de formateur en de betrokken fractievoorzitters om te bepalen of die informatie consequenties heeft voor de benoeming. De naslag heeft dus ook geen uitsluitende werking. Ze houdt de benoeming van een minister of staatssecretaris niet direct tegen. In aanvulling op de naslag mogen bewindslieden een zelfassessment invullen, waarin zij informatie verstrekken over mogelijke integriteitsrisico’s, zoals financiële belangen of nevenactiviteiten, en dat bespreken met de formateur. Maar zo’n zelfassessment is niet verplicht. Daarnaast zijn in 2023 hoorzittingen ingevoerd waarin kandidaat-bewindslieden, in het openbaar, door leden van de Tweede Kamer kunnen worden bevraagd over hun geschiktheid en integriteit. Hun benoeming blijft evenwel in handen van de Kroon: expliciete goedkeuring door het parlement is niet vereist. De screening van bewindslieden is daarmee vooral gericht op informatievoorziening, bewustwording en het faciliteren van de politieke afweging.

De screening van wethouders

Voor wethouders is het screeningsregime wezenlijk anders. Bij kandidaat-wethouders vindt geen naslag plaats, maar sinds 2023 moeten kandidaat-wethouders verplicht een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen voordat zij kunnen worden benoemd. Deze verklaring wordt afgegeven op basis van onderzoek en beoordeling door screeningsautoriteit Justis. Leidend is daarbij het screeningsprofiel ‘politieke ambtsdragers’, met een terugkijktermijn van tien jaar. Daarin staat een hoge mate van integriteit centraal en worden zeer hoge eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van kandidaten in de zin dat zij terdege strafrechtelijk integer zijn. Zonder VOG kunnen kandidaten niet in de functie van wethouder worden benoemd. En dus leidt dit instrument, anders dan de screening bij bewindslieden, direct en formeel tot in- of uitsluiting van kandidaten. Daarmee heeft de wetgever de autonomie van de gemeenteraad ingeperkt om zelf zijn eigen wethouders te benoemen. Scherp gesteld krijgt de verhouding tussen democratie, politiek en moraliteit landelijk zo een andere invulling dan lokaal: bij bewindslieden is uiteindelijk het politieke integriteitsoordeel leidend, bij wethouders dat van de screeningsautoriteit.

Zulke inconsistenties zien we meer, bijvoorbeeld ten aanzien van de risicoanalyse integriteit die bijna alle wethouders doorlopen. Bij zo’n risicoanalyse worden, vaak door een extern bureau, op allerlei terreinen mogelijke persoonlijke, relationele, financiële en functionele kwetsbaarheden van kandidaat-bestuurders op het gebied van integriteit in kaart gebracht en met de kandidaat besproken. Het kan dan gaan om risico’s die voortvloeien uit het arbeidsverleden van de kandidaat, maar ook om financiële risico’s of kwetsbaarheden die voortvloeien uit het netwerk van de kandidaat. Naast dat er naar de inbreng van de kandidaat zelf, wordt bij een risicoanalyse gekeken naar bijvoorbeeld het handelsregister van de Kamer van Koophandel, de BKR-registraties, het curateleregister, het insolventieregister, het diplomaregister van DUO, en sociale media. Anders dan de VOG heeft de risicoanalyse geen uitsluitende werking, maar wel een adviserende. Het oordeel over de benoembaarheid van de kandidaat blijft aan de gemeenteraad. Het wetsvoorstel Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche van 3 februari 2026 stelt voor om zo’n risicoanalyse verplicht te stellen voor kandidaat-wethouders. Voor bewindslieden stelt het wetsvoorstel een risicoanalyse echter niet verplicht. “Zij worden reeds aan een screening onderworpen, namelijk in de vorm van naslag”, stelt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, impliciet redenerend dat een verplichte risicoanalyse voor bewindslieden niet nodig is ómdat naar hen al naslag wordt gedaan. Dat zijn echter twee heel verschillende vormen van screening. Een risicoanalyse brengt een veel breder palet aan integriteitsrisico’s in beeld en omvat nader onderzoek. Zonder zo’n risicoanalyse blijven allerlei integriteitsrisico’s buiten beeld, met alle bestuurlijke en politieke risico’s van dien.

Bovendien is het niet-verplichten van een risicoanalyse voor bewindslieden weinig consistent. Bewindslieden hebben, als uitvoerend bestuurders, immers een rol die sterk vergelijkbaar is met die van wethouders. De integriteitsrisico’s zijn ook niet fundamenteel anders van aard. Als het dan bij wethouders verstandig wordt geacht hen verplicht een risicoanalyse te laten doorlopen, waarom bewindslieden niet? De bestuurlijke integriteit en de politieke realiteit vragen daar wel om, net als de consistentie van het screeningsregime voor politieke ambtsdragers.

Deze bijdrage is mede gebaseerd op: Karsten, N., & Stumphius, E.I.A. (2025). Screenen ter bevordering van de bestuurlijke integriteit. In E.G. van ‘t Zand, M.G.W.M.F. Brok, E.R. Manunza, E.R. Muller, & M. Visser (red.), Screenen: organisatie en vormen van screening in Nederland (pp. 89-108). Wolters Kluwer.

  • 1) 
    Bovend'Eert, P. (2024), Naleving van integriteitsregels in het parlement en de regering: hoe nu verder?, Wolters Kluwer.
  • 2) 
    Misterie van Algemene Zaken (2026). Het blauwe boek: handboek voor bewindspersonen.
  • 3) 
    ‘Screeningprofielen’, justis.nl.
  • 4) 
    Zie ook VNG (2024). Consultatiereactie Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche

Deze bijdrage stond in