Terwijl buiten Den Haag de boeren met ijzer en vuur het trein- en wegverkeer saboteerden, hield de koning de langste troonrede sinds bijna dertig jaar. Niet foutloos, maar wel pittig voorgedragen. Hij prees de democratie, samenwerking en gemeenschapszin. Hij moest wel.
Hoe begin je een troonrede? Met een Trots Op Holland-passage die iedereen direct in de goede stemming brengt? Dat gebeurde in het Olympisch jaar 2024 al. Met het belangrijkste beleidsvoornemen van de hele boodschappenlijst (we gaan het stikstof-probleem oplossen), want dan valt dat ten minste op? Of is het passender om deze ceremoniële speech van het minderheidskabinet dat snakt naar meerderheden te beginnen met een gezamenlijke waarde?
Het werd de gezamenlijke waarde: democratie. Dat was een gelukje voor de speechschrijver van de troonrede: de VN heeft 15 september, de dag waarop de troonrede dit jaar werd gehouden, uitgeroepen tot de Internationale Dag van de Democratie. Nu er geen olympische topprestaties te bezingen waren – een favoriete bezigheid van deze koning – viel de keuze op het belang van samenwerken in de democratie. De woordensmid deed een dappere poging.
“Democratie is geen platte rekensom, maar een mentaliteit die moet leven in ieder van ons.” En “Daarom is het zo belangrijk het democratiebegrip niet verder te versmallen tot het gelijk van de helft plus één.” Helaas moet dit minderheidskabinet komend jaar alles op alles zetten om minimaal de helft plus één te halen bij al hun beleidsvoornemens. Hij houdt de moed erin met: “Gelukkig bestaat die Nederlandse traditie van gemeenschapszin nog steeds, als antistof tegen polarisatie.”
En om de boodschap ‘Samenwerken is essentieel’ echt te laten landen, eindigde de troonrede met een citaat uit het boekje: “Een bekende definitie zegt dat democratie de noodzaak is om af en toe te buigen voor de mening van anderen.” Dit citaat (van Churchill) was geschikter dan het iets te duistere gezegde van Kierkegaard in de troonrede van vorig jaar. Maar het maakt ook pijnlijk duidelijk waaraan het in deze lange zomer in de coalitie heeft ontbroken.
Naast deze ode aan de democratie en samenwerking vallen er nog een paar keuzes op.
Allereerst de heldere structuur door de soepele structuuraankondiging aan het eind van de inleiding: “Denk aan voor de hand liggende onderwerpen als stikstof, wonen en migratie. Denk aan de toekomst van ons sociale stelsel en aan de grote investeringen die nodig zijn in de economie en in veiligheid.” Vervolgens blijken dit de onderwerpen te zijn die in deze volgorde aan bod komen (behalve economie en veiligheid die in verkeerde volgorde zijn aangekondigd).
Normaal is de troonrede een ellenlange enumeratie van beleidsvoorstellen, met namen van wetten, plannen en met veel getallen en bedragen die het ene oor in gaan en het andere uit. Deze keer telden we slechts twee ronde getallen: “vijftig acties voor wonen” en het dereguleringsdoel dat er jaarlijks “minimaal vijfhonderd regels verdwijnen”.
Aan goed klinkende zinnen is deze rede redelijk rijk. “De geest van redelijkheid en elkaar wat gunnen” versus “de ophef die nu soms de overhand lijkt te hebben” en “stoppen met het stapelen van uitzondering op uitzondering”.
Beeldspraken in de troonrede zijn meestal nogal weinig memorabel en vaak versleten. Maritieme beelden (het schip van staat, zwaar weer op de woeste zee), en bouwmetaforen (samen bouwen aan het fundament, het huis van de democratie). De scherpte van George W. Bush in zijn State of the Union van 2006 America is addicted to oil wordt nooit gehaald. Dit jaar kende deze beeldbotsing: “De zachtere stem van mensen die zich oprecht zorgen maken over hun omgeving […] raakt ondergesneeuwd.” Een stem die ondergesneeuwd raakt? Geslaagder is de manier waarop in weinig woorden zijn verbondenheid met de Caribische gebieden uitdrukte: “Nos ta un reino – wij zijn één Koninkrijk.”
Willem-Alexander is geen Gijs Scholten van Aschat, maar de voordracht is deze keer energiek gepresenteerd. De koning sprak de maar liefst 2889 woorden van deze lange rede pittig op toon en vooral vlot uit. Maar liefst 2.5 woord per seconde, duidelijk sneller dan zijn eerdere redes waar hij maar ongeveer 2 woorden per seconde haalde. (En wat weer sneller was dan Koningin Beatrix die eerder tussen de 1.6 en 1.7 scoorde.) Die snelheid kon de koning ook halen omdat de zinnen in deze lange tekst ook gemiddeld korter waren en dus eenvoudiger om voor te lezen. Deze rede telde gemiddeld 14.4 woorden per zin, terwijl in zijn eerdere troonredes het gemiddelde ergens tussen de 17 en 18 woorden lag. Met fijne cementzinnetjes als: ‘Het gesprek gaat door.’; ‘Niet alles kan tegelijk.’; ‘Ruimtelijke plannen moeten elkaar niet bijten.’; ‘De samenleving moet het aankunnen.’; ‘De realiteit is dat dit stap voor stap gaat.’ Leesfouten ontbraken niet, maar vielen binnen de marges (leve de leesbril van de Koning!).
Ook bleef het relatief rustig aan het jargonfront. Geen ‘multilaterale wereldorde’, ‘conjunctuur’, ‘unieke tijdsgewrichten’, ‘bestendige vooruitgang’ in deze editie. Geen ‘Ons land heeft zich in die twee eeuwen steeds veerkrachtig en saamhorig getoond’, nou ja, een enkele keer dan: “De Nederlandse economie is na de covid-jaren en de energiecrisis van 2022 veerkrachtiger gebleken dan die van landen om ons heen.” Is er een geheime afspraak dat het woord ‘veerkracht’ altijd in de troonrede moet voorkomen?
Een troonrede is ook een lange exercitie van kiezen: er waren weinig woorden over het buitenland, niets over kunst en cultuur, wel over stikstof maar niet over dieren en hun welzijn, niet over discriminatie in Nederland. Maar wel weer een paar passages over water en waterschappen: “Nederland staat in een eeuwenlange traditie van samenwerking, die ooit begon met de onderkenning van het gezamenlijk belang van goed waterbeheer”, aldus de voormalige voorvechter van watermanagement Willem-Alexander.
Het pleidooi dat premier Jetten de koning liet houden ging dit jaar meer dan ooit over democratie, over samenwerken. Dat verhaal zou overtuigender zijn geweest als deze minderheidsregering deze zomer minder tijd had verspild met interne ruzies en onenigheid. Maar dit pleidooi over samenwerking: de koning moest wel.
Jaap de Jong is hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media aan het Centrum voor Taalkunde van de Universiteit Leiden.