We zien iets bijzonders in de Tweede Kamer: de ontwikkeling van een nieuwe politieke cultuur. Met een minderheidskabinet dat niet kan rekenen op een vaste meerderheid, waardoor de scheiding tussen coalitie en oppositie is vervaagd en politici in de openheid van het parlement worstelen met hun nieuwe rol. Ik hoor veel geklaag over de stroperigheid van het bestuur en over het uitblijven van besluiten. Maar toch vind ik het een verademing en een mooie vorm van parlementaire democratie. Waarin politici opnieuw moeten leren – met vallen en opstaan.
Ik herinner me nog goed de politieke periode van Mark Rutte, toen ik zelf in de Tweede Kamer zat. Jaren waarin het kabinet wel kon rekenen op vastere meerderheden en politieke leiders, in de rol van ministers, het parlement in een houtgreep hielden. Daarna kregen we het experiment met premier Schoof. Daarin keerden de verhoudingen om, en maakten leiders als Wilders vanuit de Tweede Kamer het werken van ministers onmogelijk. Nu heeft premier Jetten geen vaste meerderheid in de Kamers en lijken zelfs de coalitiefracties onderling nog altijd verdeeld.
Hoe moeizaam het in de praktijk nu ook gaat, toch vind ik een minderheidskabinet wel passen in ons politieke bestel. Sinds de grondwet van 1848 kiezen wij burgers de Tweede Kamer en die Kamerleden moeten zorgen voor een kabinet. De Kamer moet ministers een politieke koers meegeven, of bestuurlijke doelen, maar het kabinet maakt de plannen en formuleert het beleid. In de hoop dat het daarvoor ook een meerderheid kan vinden in de Tweede Kamer – en zo niet, dan moet het opnieuw aan de slag. Dat is moeizaam en stroperig, maar toch de enige goede weg.
Daarvan raakte ik overtuigd door Philip Kohnstamm, filosoof en pedagoog en vrijzinnige liberaal, die voor de oorlog streed voor behoud van de parlementaire democratie. In een tijd dat niet alleen communisten en fascisten, maar ook christelijke en liberale politici steeds minder vertrouwen leken te hebben in het parlement. Omdat hier wel veel werd gepraat, maar weinig problemen werden opgelost, een klacht die ook nu herkenbaar is. Kohnstamm was één van de weinige intellectuelen in de jaren dertig die het belang van het parlement bleef verdedigen.
‘Dictatuur : Democratie = Dressuur : Opvoeding.’ Met deze vergelijking gaf Kohnstamm de kern aan van de democratie. Een dictatuur heeft een sterke leider, die grote besluiten kan afdwingen. Maar dat kan alleen als mensen daarvoor worden gedresseerd, of tot een eenheid gedwongen. Democratie lijkt meer op een opvoeding, of het steeds opnieuw leren, met veel vallen en opstaan. Een opvoeden ook van onszelf, omdat we in de politiek geen ouders hebben. Met politici die steeds opnieuw zullen moeten uitvinden wat niet kan, of wel blijkt te werken.
Wij mensen zijn emotionele wezens en het parlement is een plek bij uitstek waar onze gevoelens kunnen worden verwoord. De wereld is nogal veranderlijk en de parlementaire politiek is ervoor gemaakt om voorstellen te overdenken en om besluiten te heroverwegen. Alles beter dan een dictator die vasthoudt aan het verkeerde, of vooral de belangen van zichzelf dient. Laat ze maar rommelen en laat ze maar struikelen, onze Kamerleden. Op zoek naar een nieuwe politiek: een betere omgang met ons burgers en hopelijk ook een betere samenwerking met elkaar.
Ronald van Raak is hoogleraar Filosofie aan de Erasmus Universiteit en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur.
Dit stuk verscheen eerder in het Friesch Dagblad.