Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Kamer en kabinet lezen meer in artikel 100 van de Grondwet dan er staat

Wytze van der Woude, onderzoeker in Maastricht

Dat recht en politiek zo nu en dan uit de pas lopen, is geen onbekend verschijnsel. Zelden is dat echter zo treffend geïllustreerd als door de debatten over trainingsmissie in het Afghaanse Kunduz. De politieke inzet van deze debatten was duidelijk. Omdat het kabinet-Rutte de politieke steun voor deze missie niet hoefde te zoeken bij gedoogpartner PVV, heeft het hemel en aarde bewogen om met behulp van andere partijen tot een parlementaire meerderheid te komen. Juridisch bezien is de vraag echter: is die parlementaire meerderheid eigenlijk wel noodzakelijk?

Art. 100 van de Grondwet draagt de regering op het parlement voorafgaand aan de uitzending van militairen naar het buitenland inlichtingen te verstrekken over de missie in kwestie. Het recht is hier dus een stuk terughoudender dan de politiek. Immers, het verstrekken van inlichtingen aan het parlement is iets anders dan het vragen naar instemming van het parlement. Dit wordt des te duidelijker als men zich realiseert waarover (en aan de hand waarvan) deze inlichtingen worden verstrekt. Juridisch bezien worden deze inlichtingen namelijk verstrekt over (en aan de hand van) het reeds door de regering genomen besluit tot uitzending van troepen naar Kunduz en niet – zoals diverse media suggereerden – aan de hand van een voorstel tot uitzending. De ratio hierachter is gelegen in art. 97 lid 2 Grondwet. Dit artikel stelt dat het de regering – en dus niet het parlement – is dat het opperbestuur over de krijgsmacht heeft. Op dit terrein geldt dus dat het parlement weliswaar recht heeft op tekst en uiteg, maar dat de regering bepaalt.

Zoals gezegd: het gebeurt wel vaker dat recht en politieke praktijk niet helemaal in de pas lopen. Vooral oudere grondwetsbepalingen worden wel eens ingehaald door een in de politiek gevestigde praktijk. Het opmerkelijke aan dit geval is echter dat art. 100 GW in deze vorm stamt uit 2000. Is de Kamer dan zo radicaal van mening veranderd? Of heeft de Kamer in 2000 niet goed opgelet? Dat laatste kan nauwelijks worden gezegd. Bij de behandeling van de eerste lezing die heeft geleid tot de grondwetsherziening van 2000 is een formeel instemmingsrecht uitdrukkelijk aan de orde geweest. Het op dit terrein doorgaans wat meer gouvernementeel ingestelde CDA (het waren ‘paarse tijden’, dus de verhoudingen lagen toen anders) heeft dit in een amendement met zoveel woorden bepleit. Slechts een bonte minderheid van CDA, het Algemeen Ouderen Verbond (het AOV) de Centrum Democraten en het lid-Hendriks (afsplitsing van het AOV) vonden dat het parlement een dergelijk instemmingsrecht moest toekomen. De overige partijen (een ruime meerderheid) veegden een versterking van de eigen positie kordaat van tafel. ‘De regering regeert, de Kamer controleert’, zo luidde onder meer het devies van de woordvoerder van de PvdA. Het felst tegenstander van een formeel parlementair instemmingsrecht betuigde zich de partij van de minister van Binnenlandse Zaken die deze grondwetsherziening voorbereidde. Welke partij dat ook alweer was? Precies, dezelfde VVD wiens premier nu zo uitdrukkelijk de instemming van de Tweede Kamer zoekt.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 2 maart 2011.