Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Fris en fruitig, waarom eigenlijk?

Het is nog niet zo heel lang geleden dat leden van de Tweede Kamer aan de vooravond van nieuwe verkiezingen gemiddeld over tien jaar ervaring als lid beschikten. Vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw was dat een normaal verschijnsel. In de jaren zeventig en tachtig daalde dit tot gemiddeld acht jaar.

Let wel, het gaat om gemiddelden. Er waren altijd Kamerleden met (veel) minder ervaring, maar ook met nog veel ruimer ‘zitvlees’ dan genoemde tien jaar. Tien tot vijftien procent van de leden had tot de jaren zestig meer dan twintig jaar ervaring als lid. Daarna daalde dit aantal tot 7 à 8 procent. Internationaal vergeleken was dat allemaal niet uitzonderlijk hoog. In Nederland hebben wij daarnaast nooit een grote groep van Kamerleden gehad die als parlementariër ouder dan zeventig jaar werden. Het moge in de Verenigde Staten niet uitzonderlijk zijn dat een Congressman het ambt pas verlaat als hij diep in de tachtig is, zulke senioriteit hebben wij nooit gekend.

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de cijfers van leeftijd en ervaring tijdelijk gaan dalen, vooral onder invloed van de politieke instabiliteit van die periode. Aan het begin van de jaren tachtig trad echter weer stabilisatie in en dus stegen ervaring en (minder) leeftijd. De wisseling per normale verkiezing steeg weliswaar van zo’n kwart van de leden vóór 1971 naar ongeveer een derde erna, maar daarmee ging deze turnover in Nederland aansluiten bij die in het buitenland.

Zoals algemeen bekend – wij hebben er zowel in deze rubriek (*) als elders ook al meer malen over geschreven (**) – is de rekrutering sedert de jaren negentig op hol geslagen. Wisselingen per verkiezing van vijftig procent zijn gebruikelijk geworden. De gemiddelde ervaring aan het einde van een parlementaire periode is nog geen vier jaar. De Kamerleden zijn bovendien sinds 1970 jonger geworden, al moet eraan worden toegevoegd dat de daling van de leeftijd al in de jaren zeventig is ingezet, van 49 naar 45 jaar gemiddeld, en sedertdien stabiel is gebleven.

Ten dele is die verregaande turnover van leden onvermijdelijk, omdat verkiezingen in Nederland intussen de twijfelachtige eer genieten de meest turbulente in heel Europa te zijn. Partijen winnen en verliezen telkens dramatisch en dat kost natuurlijk heel wat leden de kop. En, er komen onervaren nieuwe leden in grote hoeveelheden voor in de plaats. Men zou dus verwachten, dat politieke partijen voorzichtig zijn in hun kandidaatstelling en naar vermogen zittende Kamerleden zullen beschermen tegen deze stormen. In veel landen om ons heen gebeurt dat ook. Daar ziet men het belang van parlementariërs die niet allemaal voor hun dertigste lid worden en al na maximaal vier jaar alweer vertrekken.

Zo niet in Nederland. Zeker, een paar partijen zijn inderdaad voorzichtig en sturen het proces van kandidaatstelling op ervaring, in en buiten de Kamer. Zo doet, ook dit jaar, de SP het en haar geleidelijke opbouw van kennis en ervaring heeft haar geen windeieren gelegd; zij heeft een ervaren en mede daardoor competente fractie in de Tweede Kamer. Maar ook uit relatief behoedzame fracties vertrekken, gemeten naar de tijd verstreken sedert 2010, relatief veel leden. Het meest rigoureus gaat het CDA te werk, waar zeer velen het veld moeten ruimen en een heel nieuwe fractie aantreedt.

Het rare is dat het ons allemaal gepresenteerd wordt als kandidatenlijsten die natuurlijk ‘fris en fruitig’ nieuw volk aan het parlement moeten leveren. Maar, waarom eigenlijk? Wat heeft de Kamer aan al dat ‘fris en fruitig’ nieuw volk, dat geen idee heeft wat het parlementaire werk om de hakken heeft en dat daarnaast ook maar een paar jaar maatschappelijke ervaring op enig niveau meebrengt? En, dat ernstig tekort doet aan effectiviteit en gezag van het parlement.

Dan te bedenken dat wij in een sterk vergrijzende samenleving terecht zijn gekomen. Ligt het voor de hand een ouder wordend volk door steeds jonger en onervarener mensen te doen vertegenwoordigen? De Tweede Kamer hoeft geen ‘Chinees Politbureau’ te worden met de ‘jongste leden’ boven de zeventig, maar in Nederland bezondigen wij ons aan het andere uiterste.

(*) Zie bij voorbeeld de columns: ’Een duiventil’, 22 juli 2005; Parlementaire ervaring’, 15 februari 2008

(**) J.Th.J. van den Berg en B. van den Braak, "Kamerleden als passanten in de Haagse politiek. De maatschappelijke herkomst van Tweede-Kamerleden 1970-2004", in: Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2004, 69

J.Th.J. van den Berg, "Parlementariërs in tijden van politieke turbulentie", in: K. Aarts e.a, "Een verdeeld electoraat. De Tweede Kamerverkiezingen van 2006" (2007), 139-164