Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Terugblik op de Eerste Kamer 2015-2019

Vanwege de nog grotere noodzaak voor VVD en PvdA om elders steun te zoeken voor wetsvoorstellen, leek er in 2015 een roerige periode aan te breken voor de Eerste Kamer. Dat is alleszins meegevallen en voor zover er reuring was, had dat andere oorzaken.

Het aantreden van het kabinet-Rutte III in oktober 2017 herstelde bovendien de regeringsmeerderheid in de Eerste Kamer, al was het met één zetel erg krap (overigens was zo'n krappe meerderheid er ook in de periode 1999-2003).

Kenmerkend was wat de activiteiten betreft vooral de relatieve rust. Het tweede kabinet-Rutte was in 2015 nagenoeg uitgeregeerd (de belangrijkste wetgeving was gerealiseerd) en vanaf maart 2017 ruim een half jaar demissionair. Het liet weinig onafgedane voorstellen achter. Het huidige kabinet had uiteraard enige tijd om de boel op de rails te krijgen. Er waren zeker in 2017 dan ook vele vergaderingen die binnen een half uur klaar waren.

De grootste problemen ontstonden in december 2015 toen er even geen meerderheid leek te zijn voor het Belastingplan. Een akkoord van regeringsfracties met CDA en GroenLinks en een novelle zorgden ervoor dat het voorstel het haalde. Moeizaam was verder de behandeling van een wetsvoorstel om de publieke omroep toekomstbestendiger te maken. Staatssecretaris Sander Dekker moest diverse toezeggingen doen en het voorstel aanpassen om succes te hebben.

Het kabinet-Rutte III kreeg pas op de valreep van de aftredende Kamer te maken met enige tegenwind. Eerder geuite bezwaren leidden tot het intrekken van enkele wetsvoorstellen, zoals over casino's, toezicht in de zorg en de doorberekening van kosten aan daders van misdrijven. Twee regeringsvoorstellen werden verworpen. Van groot belang waren die niet.

De grootste nederlaag van Rutte II in de Eerste Kamer was de verwerping van het wetsvoorstel om de naturalisatietermijn te verlengen van vijf naar zeven jaar. De verwerping van de Wet stroom in december 2015 werd later 'gerepareerd' met een nieuw wetsvoorstel, zonder het onderdeel waartegen bezwaar bestond.

Er werden liefst negentien initiatiefwetsvoorstellen aangenomen en slechts drie verworpen, waaronder het voorstel-Van der Staaij over een zwaardere procedure voor goedkeuring van EU-verdragen. Het belangrijkste wetgevende moment was ongetwijfeld de aanvaarding met één stem verschil van het initiatiefvoorstel-Dijkstra over de donorregistratie.

Van betekenis waren de discussies over het parlementair stelsel, die uitmondden in de instelling van een staatscommissie. Er kwam ook (eindelijk) een regeling voor de verkiezing van de Eerste Kamer in het Caribisch gebied tot stand. Na eerder verzet stemde de Eerste Kamer tevens in met de komst van een Europees Openbaar Ministerie.

In de personele sfeer viel het vertrek van liefst achttien leden op. Pauline Krikke werd burgemeester, Wopke Hoekstra minister, Thom de Graaf, Frank de Grave, Marijke Vos en Nico Schrijver gingen naar de Raad van State en drie PVV'ers werden Tweede Kamerlid. Voor het eerst werden ook leden (Mirjam Bikker en Gabriëlle Popken) tijdelijk vervangen wegens zwangerschap

En verder waren er wat 'affaires', rond Loek Hermans, Marleen Barth en Anne-Wil Duthler. Het mondde uit in opneming van nieuwe integriteitsregels in het reglement van orde.

Bert van den Braak, onderzoeker bij het Parlementair Documentatie Centrum in Den Haag, is bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit Maastricht.