Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Immigratie en de verzorgingsstaat: het succes van verzorgings­staats­nationalisme in Denemarken

In Denemarken heeft de sociaaldemocratische partij begin deze maand op overtuigende wijze de verkiezingen gewonnen. Hierbij lieten zij de centrumrechtse liberale partij van de zittende minister-president, die een minderheidsregering vormde met steun van onder andere de uiterst rechtse Deense Volkspartij, achter zich en maken zich klaar voor de vorming van een nieuwe regering.

Het succes van de sociaaldemocraten wordt voor een belangrijk deel toegeschreven aan de harde lijn die de partij de afgelopen jaren ten aanzien van immigratiebeleid heeft ingenomen. In 2016 gaf de partij, die toen in de oppositie zat, al steun aan het plan van de regering om waardevolle sieraden van vluchtelingen in Denemarken te confisqueren om hen zo mee te laten betalen aan hun opvang in het land.

Naast hun immigratiestandpunten hebben de sociaaldemocraten ook het thema van de houdbaarheid en betaalbaarheid van de verzorgingsstaat stevig omarmd. Zij voerden in dit kader stevig campagne voor hogere belastingen en de verhoging van de publieke uitgaven voor meer en betere zorgarrangementen.

De winst van de Deense sociaaldemocraten wijst ons hiermee op een inzicht dat we in onze debatten over de verzorgingsstaat lijken te zijn vergeten: de relatie tussen nationalisme en solidariteit. De combinatie ‘meer verzorgingsstaat-minder immigratie’ is een uiting van verzorgingsstaatsnationalisme.

Verzorgingsstaatsnationalisme houdt in dat zorgarrangementen voor ouderen en zwakkeren, en inkomensondersteunende arrangementen voor burgers met pech (werkeloosheid, echtscheiding) primair voorbehouden zijn aan burgers die de fundamentele waarden en normen van de samenleving onderschrijven en hebben geïnternaliseerd.

Deze relatie tussen verzorgingsstaat en immigratie is overigens niet nieuw in Denemarken. Aan het begin van deze eeuw was het de uiterst rechtse en populistische Deense Volkspartij die inzag dat onder de Deense kiezers een open immigratiebeleid de steun voor de hervormingen en de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat ondermijnde. De besnijdenis van Somalische vrouwen die als vluchteling in Denemarken verbleven hield in dit kader in die tijd de gemoederen in het publieke debat maandenlang verhit – deze bederfelijke praktijk stond lichtjaren af van de in de Deense samenleving diepgevoelde emancipatie en gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen.

Hiermee zijn we aanbeland bij het inzicht, meen ik, dat een verzorgingsstaat aan legitimiteit inboet wanneer een zekere mate van culturele verbondenheid tussen burgers in een land verzwakt. Om de ander die je niet kent te helpen is solidariteit en culturele (h)erkenning van de ander een vereiste. Het toelaten van mensen die niet dezelfde waarden als de reeds ingezetenen delen, doet daarmee afbreuk aan de steun die de verzorgingsstaat heeft onder de bevolking. Een stringent immigratiebeleid kan de ontvangende samenleving voldoende tijd geven om nieuwkomers cultureel te integreren in de samenleving. Een strenger immigratie- en vluchtelingenbeleid is daarom, in Denemarken althans, sterk verbonden geraakt met sociaal beleid.

De sociaaldemocraten in Denemarken lijken erin geslaagd te zijn het thema van immigratie uit de handen van de rechts-populisten te trekken en deze te verbinden met het thema van de verzorgingsstaat. Dit kan de sociaaldemocratische partijen elders in Europa tot voorbeeld dienen bij het terugwinnen van kiezers die zij aan links- en rechts- populistische partijen zijn kwijtgeraakt.

De vraag die voorlopig echter open blijft staan is of de sociaaldemocraten zich hiermee niet aan de populistische duivel hebben uitgeleverd. Zijn de Deense sociaaldemocraten zo niet verworden tot het kwaad op rechts dat zij altijd hebben bestreden? Hiervoor zullen we de ontwikkelingen in Denemarken de komende tijd van dichtbij moeten volgen.

Prof. dr. Kutsal Yesilkagit is als hoogleraar International Governance verbonden aan de Universiteit Leiden.