Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Met Forum voor Democratie is er in Brussel niets veranderd

Forum voor Democratie (FvD) zou het helemaal anders gaan doen in het Europees Parlement. In februari 2019 zette de partij naar eigen zeggen een ambitieuze stap met het ondertekenen van een intentieverklaring voor samenwerking in het Europees Parlement. Thierry Baudet verklaarde:



‘Tot nu toe waren de eurosceptische krachten in Brussel hopeloos verdeeld. Daardoor lukte het de fanatici – Verhofstadt, Juncker, Timmermans – om alsmaar meer macht te centraliseren en de nationale staten te ondermijnen. Na 23 mei moeten we de handen ineenslaan en ‘blokkerende minderheden’ vormen. Voor het eerst bestaat er nu een kans dat we niet alsmaar ‘meer EU’ krijgen, maar minder.’ (FvD, 2019)1

Drie maanden later waren er Europese verkiezingen en haalde Forum drie zetels: Derk Jan Eppink, Rob Roos en Rob Rooken zouden in Brussel de EU een kopje kleiner gaan maken. Er zou tevens een vierde zetel komen na de brexit, maar Dorien Rookmaker zit na interne ruzie inmiddels zelfstandig in het Europees Parlement. Inmiddels zit het eerste jaar van het nieuwe Europees Parlement erop en dat is een mooi moment om te kijken wat er van de aanvankelijke ambities is terechtgekomen. Forum beloofde iets te doen aan de verdeeldheid van eurosceptici in het Europees Parlement en wilde zo komen tot ‘minder EU’. Wat is er gerealiseerd?

1.

Verdeeldheid tegengaan

FvD wil dat er een vuist wordt gemaakt tegen de oprukkende Europese integratie en daarom wil de partij een einde maken aan de verdeeldheid op de eurosceptische flank in het Europees Parlement. In veel lidstaten bestaan rechts-populistische partijen die net als Forum kritisch zijn over de EU. De lijst is lang: Alternative für Deutschland, Deense Volkspartij, FPÖ, Front National, Lega, PiS, Vlaams Belang, Vox, Zweden Democraten en vele anderen. In Nederland hebben we naast Forum de PVV. De lange lijst aan partijen suggereert dat deze machtig zijn in Brussel, maar in de praktijk zijn ze sterk verdeeld. In het Europees Parlement werken nationale partijen samen in Europese fracties. Deze zijn in de regel stabiel, behalve op de uiterst rechtse, eurosceptische flank. Zo zat de Britse UKIP tussen 1999 en 2019 elke vijf jaar in een andere fractie met dito samenstelling. Daarnaast waren er vaak een tweede en soms zelfs derde eurosceptische fractie actief.

Eurosceptische Europarlementariërs vertellen hun achterban niet of nauwelijks dat ze onderdeel zijn van een bredere fractie (McDonnell & Werner, 2019). Zo zien burgers deze verdeeldheid meestal niet. Op dit moment zijn er twee eurosceptische fracties op rechts: sinds 2009 bestaat de fractie van Europese Conservatieven en Hervormers (ECR). Hier heeft Forum zich bij aangesloten. De PVV is aangesloten bij I&D, Identiteit en Democratie, een fractie die het vervolg is op het in 2015 opgerichte Europa van Naties en Vrijheid (ENF). Het is daarmee direct duidelijk dat het plan van Forum om verdeeldheid in het Europees Parlement tegen te gaan simpelweg is mislukt. Uit niets blijkt dat Forum daadwerkelijk pogingen heeft gedaan om tot één fractie te komen en dus eigenlijk tot een fusie van deze twee fracties te komen. Lijsttrekker Derk Jan Eppink zei al voor de verkiezingen niet met het Franse Front National in een fractie te willen zitten, waarmee één grote fractie die alle partijen verenigde direct onmogelijk was.

Deze uitkomst is eenvoudig verklaarbaar vanuit de politieke inhoud. Volgens Vasilopoulou (2018)2 bestaan er drie soorten eurosceptische partijen. De meest extreme eurosceptici zijn partijen als het Front National. Zij erkennen weliswaar dat er in Europa sprake is van een gezamenlijke cultuur, maar wijzen toch alle vormen van Europese integratie af. Deze partijen zijn uit op confrontatie met het politieke systeem en worden in de hoofdsteden stelselmatig uitgesloten van regeringsverantwoordelijkheid. Andere eurosceptische partijen gaan veel minder ver: zo vindt de Deense Volkspartij Europese samenwerking wel wenselijk, maar denkt dat deze nu al te ver gaat. Dit type partijen wil radicale verandering, maar past zich in de praktijk aan de bestaande praktijk aan. Een derde type partijen klinkt vooral eurosceptisch, zoals Forza Italia, maar daar wil men eigenlijk niets aan de bestaande integratie veranderen. Men is vooral gekant tegen het toekomstbeeld van een steeds hechtere unie. Deze partijen functioneren normaal binnen het bestaande politieke systeem.

Het ontbreekt al deze eurosceptische partijen niet alleen aan een overkoepelende filosofie, er is ook een gebrek aan geformaliseerde onderlinge contacten. De samenwerking is daarmee erg afhankelijk van de relaties tussen individuele politici. Persoonlijke vetes kunnen samenwerking jarenlang belemmeren. Een voorbeeld is de slechte chemie tussen Jean-Marie Le Pen en Jörg Haider, die samenwerking tussen hun partijen lange tijd onmogelijk maakte (Mudde, 2007).3

Bij eurosceptische partijen speelt tevens de uitstraling naar de buitenwereld een grote rol. Ze zijn op zoek naar ‘een respectabel huwelijk’ met partijen die hen een goede uitstraling geven. ECR is aantrekkelijk omdat deze is opgericht door de Britse Conservatieven. Leden kunnen een band claimen met oud-premier Margaret Thatcher. I&D is niet respectabel: hier is het Front National dominant en dus kunnen leden in de perceptie van de buitenwereld een affiliatie krijgen met de antisemitische uitspraken van Jean-Marie Le Pen. Eurosceptische partijen kloppen daarom graag bij ECR aan, zoals de Deense Volkspartij en de Ware Finnen in 2009. ECR was daar jarenlang niet enthousiast over omdat deze partijen te extreem zouden zijn. Men probeerde het eigen gematigd-kritische imago te bewaken (McDonnell & Werner, 2019).4

De komst van Forum naar Brussel heeft in feite niets aan deze situatie veranderd: er bestaat nog steeds verdeeldheid op eurosceptisch rechts. De FvD-visie dat de EU het beste opgeheven kan worden past niet bij veel andere eurosceptische partijen. Een gebrek aan onderlinge contacten doet de rest: Derk Jan Eppink is wat dat betreft een logische keuze als leider van het Brusselse FvD omdat hij al eerder Europarlementariër voor ECR was en zijn nieuwe partij zo een netwerk kan verschaffen. FvD heeft met ECR voor de fractie met de meest respectabele uitstraling gekozen, maar die verbindt alle rechts-populistische krachten in Brussel niet.

2.

Minder EU nastreven

Forum belooft kiezers tot minder EU te komen. De grote vraag is hoe dat in het Europees Parlement tot stand kan komen. Een belangrijke manier is aansluiten bij een machtige Europese fractie die zowel bij onderhandelingen als stemmingen een flinke vinger in de pap heeft. De fractie van FvD, ECR, was in 2014 nog de derde fractie van het Europees Parlement. Concurrent ENF was een stuk kleiner. In 2019 zijn de rollen echter omgekeerd. Een aantal partijen verhuisde van ECR naar I&D en na de brexit vertrokken de Britse Conservatieven. Daarmee is ECR de zesde fractie van het parlement geworden en dus minder dan voorheen in staat een vuist te maken tegen meer EU.

Een probleem voor eurosceptici is dat ze vooral een algemene filosofie over de EU hebben terwijl op de agenda van het Europees Parlement vooral concrete beleidsthema’s staan. Het Europees Parlement dwingt politici tot het sluiten van compromissen over dit soort gedetailleerde thema’s omdat er anders geen meerderheden komen voor bepaalde voorstellen of standpunten. Eurosceptici zien dit in de regel als beleidsdossiers die op nationaal niveau thuishoren. Ze kunnen nauwelijks voor hen relevante punten binnenhalen, laat staan dat het punten zijn die aansprekend zijn voor hun eigen achterban. Eurosceptici hebben vooral iets te zeggen over thema’s die niet of nauwelijks op de agenda van het Europees Parlement staan: de toekomst van de EU en de overdracht van bevoegdheden van het nationale naar het Europese niveau. Deze thema’s komen, behalve als er een nieuw verdrag wordt gesloten, niet of nauwelijks aan bod.

Een grote fractie is voor Europarlementariërs aantrekkelijk omdat deze de kans op functies voor de aangesloten leden vergroot. De belangrijkste functie is het rapporteurschap, als een Europarlementariër een rapport schrijft met een politiek standpunt waar een meerderheid van het parlement zich in kan vinden. Ook hiervoor geldt dat het vaak thema’s zijn die eurosceptici niet thuis vinden horen op Europees niveau. Als ze toch zo’n functie willen verkrijgen gaat dat via een verdeelsysteem. Grote fracties krijgen meer functies dan kleine. Hierbij speelt ook de positie van de partij een rol. Europarlementariërs met extreme standpunten hebben een kleine kans om functies in handen te krijgen. Eurosceptici hebben daarom de minste kans om bijvoorbeeld een invloedrijk rapport te mogen schrijven, afgezien van de vraag of ze daar zelf zin in hebben (Brack, 2018).5 Dit blijkt ook uit de cijfers: de meeste eurosceptische Europarlementariërs schrijven geen rapporten. Dit blijft bij individuele uitzonderingen (McDonnell & Werner, 2019).

De inhoud van dit soort rapporten wordt bepaald op basis van onderhandelingen tussen fracties. Er is bij die onderhandelingen weinig aanleiding voor eurofiele fracties om met eurosceptici in gesprek te gaan en compromissen te sluiten om tot een meerderheid te komen. Eurofielen worden het onderling gemakkelijker eens dan met eurosceptici. De eurofiele fracties samen hebben daarnaast een ruime meerderheid en dus zijn eurosceptici getalsmatig vaak niet nodig (Brack, 2018). Er is echter nog een bijkomende handicap: in eurosceptische fracties is er geen fractiediscipline. Bij onderhandelingen weet een eurosceptische Europarlementariër dus niet of zijn hele fractie met hem meestemt en dus of er een meerderheid voor een voorstel zal ontstaan. Eurofiele Europarlementariërs die onderling wel fractiediscipline kennen kunnen die garantie wel leveren (McDonnell & Werner, 2019).

Van de ambitie om minder EU tot stand te brengen blijft zo al direct weinig over. Eurosceptici zijn getalsmatig klein, hebben relatief weinig interesse in veel dossiers die in het Europees Parlement worden besproken en zijn in onderhandelingen niet of nauwelijks nodig voor een minderheid. Eurofiele fracties kunnen gemakkelijker onderling zaken met elkaar doen dan met eurosceptici die geen fractiediscipline kennen. Eurofielen hebben sowieso meer kans om invloedrijke rapporten te mogen schrijven en als eurosceptici al de pen vast mogen houden is de kans klein dat ze een rapport kunnen produceren waarin hun mening duidelijk naar voren komt en waarmee een meerderheid in het parlement wordt behaald. FvD kan dus niet ‘minder EU’ tot stand brengen, laat staan een dergelijk klinkend resultaat aan de eigen achterban presenteren.

3.

Symbolische kritiek leveren

De vraag is daarmee wat er voor FvD in het Europees Parlement overblijft. In de praktijk kunnen eurosceptische Europarlementariërs zoals die van FvD vier verschillende rollen innemen (Brack, 2018) die variëren in de mate waarin de Europarlementariërs actief zijn en vooral in wat ze doen.

Een belangrijke rol voor eurosceptische Europarlementariërs is die van de afwezige. Deze Europarlementariërs vinden het werk in het Europees Parlement niet van al te grote waarde. Zij zijn daarom niet erg actief in het Europees Parlement maar des te meer in de nationale of lokale bestuurslagen. Ze komen wel in de media en leggen ook werkbezoeken af en zien het als hun taak om euroscepsis te vergroten. Het zijn van Europarlementariër opent deuren die voor anderen gesloten blijven. Hun mandaat is dus een manier om legitimiteit en zichtbaarheid te krijgen. Deze Europarlementariërs zijn vaak afwezig in het Europees Parlement en zijn ook nauwelijks actief bij parlementaire activiteiten (Brack, 2018).

Een tweede rol die deze Europarlementariërs kunnen aannemen is die van de publieke spreker. Deze ziet het als zijn taak om in het publieke domein negatieve informatie over de EU te verspreiden. Omdat ze in het Europees Parlement zitten hebben ze vrij veel informatie ter beschikking en hebben ze ook een platform om te spreken. Deze Europarlementariërs zijn wel aanwezig in Brussel en Straatsburg maar zijn niet erg actief in traditionele parlementaire activiteiten. Ze stellen vragen, komen met moties en spreken in de plenaire zaal. Commissiewerk doen ze echter maar weinig. Zij proberen de regels van het parlement goed te kennen want zo kunnen ze veel spreektijd krijgen. Ze willen aandacht en vallen daarom eurofielen verbaal aan. Ze hebben dan ook vaak slechte contacten met andere groepen in het Europees Parlement, met name met eurofielen, wat hun onderhandelingspositie sowieso verzwakt (Brack, 2018).

Een derde rol is die van de pragmaticus: dit is een Europarlementariër die wel probeert resultaten te bereiken maar tegelijk ook trouw blijft aan zijn eurosceptische ideeën. Zij vormen een soort constructieve oppositie die als het mogelijk is verschil wil maken. Ze willen invloed hebben op de hoeveelheid Europese wetgeving of vertegenwoordigen een bepaalde regio. Deze pragmatici zijn daarom in veel verschillende parlementaire activiteiten actief, net als de laatste rol, die van de participant: een Europarlementariër die normaal deelneemt aan het wetgevende proces om de wetgeving te kunnen beïnvloeden en die proberen tot compromissen te komen met andersdenkenden. Zij doen ook echt commissiewerk, wat frustrerend kan zijn bij kleine fracties want die staan structureel op achterstand (Brack, 2018).

Welke rollen nemen de drie FvD’ers aan? Derk Jan Eppink en Rob Roos lijken vooral op publieke sprekers. Ze doen in hun eerste jaar vooral aan debatten mee. Eppink doet dit negentien keer en Roos dertien keer. Eppink stelt negentien keer vragen en Roos zes keer en ze stelden samen resoluties op om president Trump de Nobelprijs voor de Vrede te geven en Antifa op de EU-terrorismelijst te krijgen. Daarnaast zijn ze vaak te vinden op de sociale media-kanalen van Forum voor Democratie. Zo treden ze beide op in het FvD-journaal, een tweewekelijkse uitzending met wetenswaardigheden over de partij. Ook komen ze met eigen video’s en twitteren ze actief. Ze zijn het eerste jaar weleens schaduwrapporteur geweest, zoals Roos over energie en innovatie, maar er is nooit iets gecommuniceerd over de compromissen die Forum in het Europees Parlement sloot om wetgeving echt te veranderen. Dat is ook moeilijk realiseerbaar voor FvD. Eppink en Roos zijn erg actief vergeleken met hun collega Rob Rooken, die vooral afwezig lijkt: hij sprak in het eerste jaar één keer in de plenaire zaal en kwam met een handjevol vragen. Rooken is vooral landelijk actief, aangezien hij ook partijbestuurder van Forum is. Daar merken kiezers echter weinig van. In de media is Rooken nauwelijks te vinden en daarmee is hij een van de meest onzichtbare Europarlementariërs die Nederland heeft.

De vraag blijft dus wat Forum in de EU heeft veranderd. Eigenlijk niets: de eurosceptische verdeeldheid is niet opgelost en ‘minder EU’ komt er ook niet. Forum staat wel garant voor veel negatieve aandacht voor de EU. Ook dat is in lijn met wat eurosceptische Europarlementariërs al langer als hun taak zien. Zo verandert er met Forum dus eigenlijk niets.


[1] FvD (2019): FvD bouwt eurosceptische alliantie om Timmermans en Verhofstadt te stoppen. FvD.nl, 28 februari 2019.

[2] Vasilopoulou, S. (2018): Far right parties and euroscepticism: patterns of opposition. London: Rowman & Littlefield.

[3] Mudde, C. (2007): Populist radical right parties in Europe. Cambridge: Cambridge University Press.

[4] McDonnell, D. & Werner, A. (2019): International populism: the radical right in the European Parliament. London: Hurst.

[5] Brack, N. (2018): Opposing Europe in the European Parliament: rebels and radicals in the chamber. London: Palgrave MacMillan.

 

Chris Aalberts is journalist en schreef 'De partij dat ben ik' over Forum voor

Democratie. Het boek kwam op 6 november jl. uit.