Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Wegsturen is een paardenmiddel dat voortaan hopelijk op stal blijft

Het gedwongen aftreden van staatssecretaris van Economische Zaken Mona Keijzer (CDA) op 25 september 2021 is zonder precedent. Niet eerder liep een conflict binnen het kabinet zo hoog op dat een minister-president besloot een bewindspersoon te ontslaan. In dit geval waren alleen de vicepremiers hierover geconsulteerd en was er overleg geweest in de kringen van het CDA. Waarom is de situatie rond Keijzer zo bijzonder en wat gebeurde er in het recente verleden met bewindspersonen die de eenheid van beleid doorkruisten? Was dat een onderwerp voor de ministerraadsvergadering?

Conflicten als gevolg van media-uitlatingen zijn er in verleden meer geweest. Dat was bijvoorbeeld het geval in 2004 bij de ruzie tussen staatssecretaris van Onderwijs Annette Nijs (VVD) en minister Maria van der Hoeven (CDA). Nijs had zich in een interview in Nieuwe Revu laten gaan over haar beroerde werkverhouding met Van der Hoeven, die zij ‘onbetrouwbaar’ noemde. Het conflict werd uiteindelijk beslecht door de VVD-partijtop, die Nijs niet langer op haar post wilde handhaven.

Verder terug in de geschiedenis zien we het conflict tussen minister van Justitie Van Agt (CDA) en ‘zijn’ staatssecretaris Glastra van Loon (D’66) in mei 1975. De minister wilde van de staatssecretaris af, nadat Van Loon in diverse interviews scherpe kritiek had geuit op het beleid van zijn voorganger met betrekking tot het gevangeniswezen en hij tevens de secretaris-generaal van het departement had gehekeld. Van Agt beriep zich daarbij op het grondwetsartikel (toen art. 86, na 1983 art. 46 GW) waaruit kan worden afgeleid dat de staatssecretaris ondergeschikt is aan de minister. Hij probeerde te voorkomen dat minister-president Joop Den Uyl (PvdA), die op dat moment in Suriname was, zich met de zaak zou bemoeien. Dat mislukte, Den Uyl wilde niet zomaar akkoord gaan met het vertrek van een van de progressieve leden van zijn kabinet. Eenmaal terug uit de West volgde langdurige onderhandelingen tussen Den Uyl, Van Agt en de D’66-top. Over de kwestie werd niet in de ministerraad besloten, wel is er in de marge van het kabinetsberaad – tijdens een pauze – fel over gediscussieerd. Den Uyl koos uiteindelijk eieren voor zijn geld. Hij wilde niet riskeren dat Van Agt, een vooraanstaand KVP-politicus, het kabinet vanwege dit conflict onderuit zou halen en stelde zich op achter de minister. Glastra van Loon besloot hierop zelf zijn ontslagverzoek te schrijven.

Een intern conflict dat wèl in de ministerraad is besproken is de kwestie die uiteindelijk zou leiden tot het aftreden van minister van Defensie Roelof Kruisinga (CHU, later CDA) in maart 1978 naar aanleiding van het al of niet plaatsen van neutronenbommen op Nederlands grondgebied. Hierover was nog geen ministerraadsbesluit gevallen, want het kabinet wenste de NAVO-consultaties over de plaatsing van deze kernwapens in Europa af te wachten. Kruisinga, die zichzelf pacifist noemde, wilde dat het kabinet het voortouw zou nemen in het verzet tegen de plaatsing en liep daarmee voor de troepen uit. In een Kamerdebat keerde Kruisinga zich openlijk tegen de kabinetslijn die door de minister van Buitenlandse Zaken werd toegelicht, waarop hij in de ministerraad terecht werd gewezen. Verschillende bewindslieden waren hem sowieso liever kwijt dan rijk, hij had de reputatie onbetrouwbaar te zijn en een drankprobleem te hebben. Kruisinga doorbrak de goede sfeer van camaraderie, zei voormalig minister-president Van Agt in een terugblik. Toch kwam het niet zo ver dat de minister uit het kabinet-Van Agt I werd gegooid. Evenals Glastra van Loon schreef hij zelf zijn ontslagbrief, waarmee een einde kwam aan zijn drie maanden durende ministerschap.

In de meeste gevallen laat de minister-president de zaak in eerste instantie aan het politieke smaldeel waartoe een omstreden bewindspersoon hoort. Die terughoudendheid past bij de rol de minister-president in het staatsbestel heeft. Er is een collegiaal bestuur waarin de eenheid van beleid wordt bevorderd en de premier is weliswaar voorzitter van de ministerraad; hij is daar primus inter pares, de eerste onder zijn gelijken. Dat is een andere rol dan die van bijvoorbeeld een prime minister in de Engelse constellatie, die zelf het kabinet samenstelt én tussentijds de boel kan herschikken. Bovendien heeft het voordelen de handen niet te branden aan ruzies of onenigheid. Door het aan de politieke partijen over te laten, zie Nijs, maar bijvoorbeeld ook het vertrek van minister voor Wonen, Wijken en Integratie Ella Vogelaar (PvdA) in 2008, blijft de minister-president een soort Zwitserland: neutraal terrein. Als de partij meent dat een bewindspersoon geen toegevoegde waarde meer heeft (lees: stemmen gaat kosten) wordt de druk om af te treden opgevoerd. Achter de schermen worden vaak beloften gedaan om met gebruikmaking van het partijnetwerk mee te zoeken naar een nieuwe baan of functie. De meeste ex-bewindslieden blijven lid van hun ‘club’.

We weten nog niet exact wat er vooraf is gegaan aan het vertrek van Keijzer. Zo is het niet duidelijk of Keijzer bij het besluit over de coronapas aanwezig was; staatssecretarissen hebben geen stemrecht maar ze mogen wel bij de ministerraad aan de discussie deelnemen bij onderwerpen die hun portefeuille aangaan. Het was publiek geheim dat Keijzer grote moeite had met het coronabeleid, maar eerdere discussies daarover verloor. Nadat zij in De Telegraaf haar ernstige bedenkingen had geuit, reageerden bewindslieden verbolgen. Met haar openlijke verzet handelde zij in strijd met artikel 12 lid 2 van de het Reglement van Orde van de Ministerraad: in geen geval handelt een minister of staatssecretaris tegen een besluit van de raad.

Haar houding stelde met name haar partijgenoten Hugo de Jonge van VWS en Ferdinand Grapperhaus van Justitie voor problemen. Zij weigerde zelf een ontslagverzoek te schrijven en zo ‘de eer aan zichzelf te houden’. Door deze weigering bleef er in de ogen van de CDA-ministers een de minister-president maar één optie open: haar onmiddellijk de laan uit sturen. Hierop is politieke rugdekking gezocht bij de vicepremiers. Aangezien een Koninklijk Besluit voor het ontslag van een staatssecretaris behalve door de minister-president ook moet worden ondertekend door de minister onder wiens ministerie hij of zij ressorteert, is ook de instemming van de minister van Economische Zaken en Klimaat gevraagd. (art. 46 en 48 GW). Formeel was de juiste procedure geweest dat de ministerraad over het ontslag zou beraadslagen en besluiten (RvOMR art. 4), daarin heeft Pieter Omtzigt gelijk. Mogelijk wordt achteraf nog instemming verleend. Voor de uitkomst zal het geen verschil maken.

Met het oog op de toekomst valt te hopen dat een situatie zoals die rond het vertrek van staatssecretaris Keijzer uniek is en dat blijft. Doordat Keijzer afstand nam van een genomen besluit en door haar weigering zelf opzij te stappen, zag de minister-president zich genoodzaakt een besluit uit te voeren dat niet goed past binnen de Nederlandse parlementaire cultuur. Zijn daad zou gelezen kunnen worden als een volgende stap in de presidentialisering van het ambt van de minister-president. Voor de toekomst van het collegiaal bestuur en de samenwerking met politieke minderheden is dat geen goede ontwikkeling.

 

Dr. Anne Bos is onderzoeker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis en auteur van 'Verloren vertrouwen. Het aftreden van ministers en staatssecretarissen, 1967-2002' (Boom; Amsterdam 2018).