Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Een beetje meer integer bestaat niet

woensdag 8 december 2021, 8:15, column van drs. Peter van Keulen

Na jaren van publieke discussie over de schijn van belangenverstrengeling, reprimandes van internationale organisaties zoals GRECO van de Raad van Europa en soms discutabele overstappen van het Binnenhof naar buiten, heeft Nederland nu eindelijk een integriteitsbeleid voor oud-bewindspersonen. Dat heeft lang geduurd en de stap is bescheiden.

Het dralen heeft de reputatie van het Nederlandse openbaar bestuur geen goed gedaan. In het buitenland maar ook in Nederland zelf. Daarnaast zijn reputaties geschaad van personen en lobbyorganisaties en is ook de reputatie van het lobby-vak niet bepaald positief beïnvloed. Dat alles had voorkomen kunnen worden als het kabinet meer vaart had gemaakt met het verdiepen en formaliseren van bestaande regels. Hier werd al sinds december 2015 – in de PvdA-nota “Lobby in Daglicht” – en ook daarna door onder andere de Tweede Kamer, nadrukkelijk toe opgeroepen. In de tussentijd zijn we links en rechts ook ingehaald door landen als Ierland en Duitsland.

Laat of niet, nu het integriteitbeleid is geïntroduceerd mag dit worden beschouwd als een bescheiden eerste aanzet. Het is nu aan de Tweede Kamer – die ook haar eigen integriteitsbeleid op de agenda heeft gezet - en het volgende kabinet om een aantal zaken die zijn aangekondigd, ook daadwerkelijk uit te voeren. En dat met voortvarendheid te doen. Een viertal aandachtspunten kunnen in deze discussie betrokken worden.

In de eerste plaats betreft dat het geïntroduceerde draaideurverbod. Dit verbod geldt voor oud-bewindspersonen. Hierbij laat het kabinet echter onbenoemd dat een draaideur ronddraait. Dus ook voor de deur die de andere kant op draait zou je regels verwachten: wat doe je met personen die in een specifieke sector werkzaam zijn en die vervolgens toetreden tot een kabinet op datzelfde beleidsterrein? Deze kwestie wordt niet geadresseerd in het voorgestelde integriteitsbeleid. Een deel van de discussie over “draaideurpolitici” treft overigens ook oud-Kamerleden. En hoewel ik begrijp waarom het kabinet die groep inhoudelijk onbenoemd laat, had een verwijzing daarnaar niet misstaan.

In de tweede plaats vraagt de cruciale rol die voor een Secretaris-Generaal is weggelegd in het voorgestelde integriteitsbeleid om specificering. Zo mag een SG ontheffing verlenen voor het lobbyverbod van een oud-bewindspersoon. Deze opzet bevat een kwetsbaarheid aangezien de oud-bewindspersoon en SG elkaar veelal persoonlijk goed kennen. Een beoordeling tot ontheffing zou echter zoveel als mogelijk geobjectiveerd moeten worden. Dus laat die ontheffings­verantwoordelijkheid aan een SG van een ander ministerie of door het SG-beraad. Of beter: laat deze beoordeling exclusief aan de onafhankelijke commissie die door het kabinet is aangekondigd als poortwachter van het integriteitsbeleid. En in alle gevallen: maak de ontheffing – en het verzoek daartoe – openbaar. En als laatste bij dit punt: moeten tegelijkertijd niet de integriteitsregels met betrekking tot het lobbyverbod en de draaideur voor hoge ambtenaren (waaronder SG’s), worden geactualiseerd?

In de derde plaats valt op dat het draaideurverbod door het kabinet expliciet wordt gekoppeld aan “betaalde, commerciële werkzaamheden”. Een uitzondering is van kracht voor werkzaamheden ten behoeve van adviescommissies. Terwijl ook daar veelal een bezoldiging tegenover staat. De onderbouwing van deze keuze wordt onvoldoende duidelijk gemaakt.

Het laatste aandachtpunt betreft een meer fundamentele kwestie. Het kabinet schrijft dat “gewezen bewindspersonen gedurende twee jaar niet vanuit een bedrijf, semipublieke organisatie of een lobbyorganisatie kunnen optreden (…)”. Het kabinet had er verstandig aan gedaan om specifieker te formuleren wat precies een “lobbyorganisatie” is. Want hoewel er wel specifiek bedrijven worden genoemd, worden NGO's of lagere overheden juist expliciet niet genoemd. Terwijl ook zij veel geziene organisaties op en rond het Binnenhof zijn. Vallen die organisaties wel of niet onder de nieuwe regels? Uiteraard moeten beroepsverboden worden vermeden en is ook op dit punt verduidelijking noodzakelijk.

Tot slot. Vanzelfsprekend gaan bestuur en bestuurders door het nu geïntroduceerde integriteitsbeleid niet opeens meer integer worden. Maar met goede intenties en uitleggen dat gemaakte keuzes “passen binnen de geldende regels” (zoals een oud-bewindspersoon onlangs deed) zijn we de afgelopen jaren niets opgeschoten. Om die reden is het goed dat er meer over gedebatteerd en gediscussieerd wordt en dat er nu eindelijk (wettelijke) regels komen. Maar integriteitsbeleid is niet iets statisch dat op papier wordt gezet en daarmee voor eens en altijd geregeld is. Wat het kabinet nu heeft aangekondigd is het fundament waarop het kader voor gedrag is omschreven. Hierop moet worden voortgebouwd, gewerkt, verantwoord, geleerd, geëvalueerd en verbeterd. Niet alleen door oud-bewindspersonen, maar door alle betrokken stakeholders – van ministeries tot parlement, van media tot lobbyorganisaties. Dat alles in het belang van de reputatie en het vertrouwen in het openbaar bestuur en haar (oud-)bestuurders. En ook het vertrouwen in lobbyisten en lobbyorganisaties. Dus kabinet: ga voortvarend aan de slag met de invoering van (wettelijke) regels en de borging van de onafhankelijke adviescommissie die het verschil gaat bepalen tussen succes en falen van dit nieuwe integriteitsbeleid.

 

drs. Peter van Keulen is public affairs adviseur en docent van de Leergang Public Affairs / Campus Den Haag.