N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Inconsistenties in het parlementaire begrotingsproces
Er is sprake van enkele merkwaardige inconsistenties in het parlementaire proces. Kort na de verkiezingen werd op 12 november jl. de nieuwe Tweede Kamer geïnstalleerd. Vervolgens begon snel de behandeling van het belastingplan 2026, dat op 27 november werd goedgekeurd. Drie weken later aanvaardde de Eerste Kamer het belastingplan, dat per 1 januari 2026 in uitvoering kwam.
Hoe anders is de gang van zaken bij de uitgavenkant van de rijksbegroting. Vanwege de verkiezingen had de Tweede Kamer ook het behandelen en vaststellen van de uitgavenkant van de rijksbegroting 2026 uitgesteld. Anders dan de snelle gang van zaken bij het belastingplan, staat de stemming hierover nu pas gepland op 10 maart 2026. Daarna vindt nog behandeling en stemming plaats in de Eerste Kamer. Ergens in het tweede kwartaal zal dus pas sprake zijn van een goedgekeurde begroting.
Bij mij dringt de vraag zich op waarom wel een tijdige behandeling van het ingewikkelde belastingplan kon plaatsvinden en waarom geen enkele haast wordt gemaakt met de behandeling van de afzonderlijke uitgavenbegrotingen. Die vraag is des te urgenter, daar de Kamer in juni 2025 kamerbreed een motie van het CU-kamerlid Pieter Grinwis heeft aangenomen. De motie bevat een oproep aan het kabinet om in de Comptabiliteitswet de verplichting op te nemen tot het onverwijld indienen van een nieuwe begroting wanneer de begroting eerder verworpen zou zijn. De motie bevestigde dat de Kamer de tijd waarin gewerkt moet worden met een niet-geautoriseerde begroting zo kort mogelijk wil houden. Bij een niet-geautoriseerde begroting moet lopend beleid terughoudend worden gevoerd en mag nieuw beleid in beginsel niet worden aangepakt, tenzij dit niet in het belang van de staat is en het parlement hierover is geïnformeerd.
Met de motie werd een al langer lopende discussie beslecht over de fundamentele vraag of de Grondwet toestaat dat na verwerping van een begroting tussentijds een nieuwe begroting mag, of zelfs moet, worden ingediend of dat gewacht moet worden tot de volgende Prinsjesdag. Het betreft een onderwerp dat nog meer van belang is nu de formerende partijen afstevenen op het hachelijke avontuur met een experimenteel minderheidskabinet. Zelf was ik het eens met de parlementair-historicus Bert van den Braak, dat artikel 105 van de GW zeker geen verbod inhoudt op een tussentijdse begroting. Algemene Rekenkamer en Raad van State bogen zich over de vraag. De Raad van State adviseerde in juni jl. om de wenselijkheid van een nieuwe tussentijdse begroting zelfs met een bepaling in de Comptabiliteitswet te bevestigen, hetgeen minister van Financiën Eelco Heinen intussen in een brief dd. 17 december 2025 heeft toegezegd.
Bij het onderwerp van de verworpen begroting was de wens om het werken met een niet-geautoriseerde begroting zo kort mogelijk te houden bij alle instanties de belangrijkste impuls voor het zoeken naar een nieuwe procedure. Ook daar staat de laconieke en trage aanpak bij de behandeling van de uitgavenbegrotingen 2026 door de Tweede Kamer haaks op.
Dr. J.K.T. Postma was in verschillende functies verbonden aan het ministerie van Financiën, onder meer als directeur-generaal van de Rijksbegroting.