Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Te gast bij de Staten-Generaal? De rol van de Koning tijdens Prinsjesdag

maandag 26 augustus 2019, 13:00, dhr Jan Ramakers

Prinsjesdag is misschien wel de enige echte politieke feestdag die Nederland kent. De dag staat bol van symbolische pracht en praal: de Gouden Koets, de rijtoer van de Koning en zijn gevolg door de hofstad van Paleis Noordeinde naar de Ridderzaal, het militaire vertoon, de hoedjes… De Koning bezoekt op Prinsjesdag de Staten-Generaal in de Ridderzaal om in de Troonrede voor een verenigde vergadering de plannen van de regering voor het komende jaar uiteen te zetten. Maar is deze politieke feestdag daarmee ook een feest van de democratie? Of is Prinsjesdag toch meer een feest van de monarchie? Hoe verhouden Staten-Generaal en Koning zich op Prinsjesdag tot elkaar? Een paar minder bekende symbolische elementen van Prinsjesdag kunnen daar wellicht uitsluitsel over geven.

Tijdens de rijtoer door Den Haag staat de Koning duidelijk in het middelpunt van de belangstelling. De luister en de omvang van de stoet worden sinds jaar en dag geacht de belangstelling en de geestdrift van het volk voor de monarchie te stimuleren.

Als de Koning de Ridderzaal betreedt, wordt hij ontvangen door de zogeheten commissie van in- en uitgeleide, die de politieke verscheidenheid van de Staten-Generaal moet weerspiegelen en die bestaat uit een wisselend aantal Kamerleden. Oppervlakkig gezien is het optreden van de commissie een blijk van gastvrijheid jegens het staatshoofd, maar zo simpel is het niet altijd geweest. In 1904 beklaagde de commissie zich erover dat de ‘Heeren der Hofhouding’ zich handtastelijk op de voorgrond hadden gedrongen omdat zij direct achter koningin, prins en koningin-moeder wilden lopen. Een jaar eerder had zich al een vergelijkbaar incident voorgedaan. De commissie vond dat zij de koningin en haar gevolg ‘onmiddellijk behoorde te omringen’. Zij moest echter bakzeil halen; er was volgens de vastgestelde regelingen én volgens de uitdrukkelijke wens van de koningin gehandeld. De commissie vond kennelijk dat de vorstin de gast was van de volksvertegenwoordiging, terwijl het staatshoofd en het Hof zo hun eigen eisen stelden aan de wijze waarop zij binnentraden.

Ook de plaats van de troon in de Ridderzaal is symbolisch voor de verhouding tussen volksvertegenwoordiging en Koning. Toen koningin Emma er begin twintigste eeuw op aandrong de Ridderzaal tot troonzaal te verheffen om de monarchie wat meer allure te verschaffen, stemde de zogeheten Commissie van Advies voor de Grafelijke Zalen daarmee in, mits de troon aan de korte zijde tegenover de ingang zou worden geplaatst, zodat ‘een waardig binnenkomen’ van de koningin verzekerd was. Daar waren de ‘Huishoudelijke Commissies’ van de Kamers het echter niet mee eens. De leiding van de verenigde vergadering werd door de Grondwet immers opgedragen aan de voorzitter van de Eerste Kamer, waarmee het logischer zou zijn als de troon aan de lange zijde tegenover de voorzittersstoel werd geplaatst. Bij de ingebruikname van de Ridderzaal in 1904 gebeurde dat laatste inderdaad, maar een jaar later kwam de troon alsnog recht tegenover de ingang te staan. In 1917 werd de troon echter weer naar de lange zijde verplaatst, omdat koningin Wilhelmina vond dat zij zich in de bestaande opstelling te moeilijk verstaanbaar kon maken. Bij de meest recente verbouwing van de Ridderzaal in 2006 ontstond opnieuw discussie over dit punt. De Rijksgebouwendienst opteerde ervoor de troon weer aan de korte zijde te plaatsen, maar het voorstel haalde het niet. De Dienst heeft nooit willen meedelen welke standpunten de geconsulteerde partijen in de discussie innamen, maar misschien laten die zich raden.

Op het feit dat het Hof zich intensief met de ceremonie in de Ridderzaal bemoeide kwam in de loop van de twintigste eeuw de nodige kritiek. Staatsrechtkenner Ernst van Raalte plaatste in 1952 vraagtekens bij het feit dat onder het programma voor Prinsjesdag enkel hofnamen prijkten en niet de naam van een minister. Dat betekende dat de ministeriële verantwoordelijkheid hier niet in werking was. En in 1975 schreef Tweede Kamervoorzitter Anne Vondeling in het artikel ‘Prinsjesdag als openbare les’ dat dit ‘volstrekt in strijd met moderne staatsrechtelijke opvattingen’ was. De bijeenkomst in de Ridderzaal diende volgens hem te worden geregeld tussen de voorzitter van de verenigde vergadering en een lid van de regering, c.q. de minister van Binnenlandse Zaken, zij het in overleg met het Hof. En op Prinsjesdag was iedereen gast van de Staten-Generaal, aldus Vondeling, ‘óók de Koning en de ministers, van het moment af waarop de drempel van de Ridderzaal wordt overschreden’. De jurist J.R. Stellinga, destijds lid van de Raad van State, vond dat maar vreemd. Waarom moest een minister een rol vervullen in de organisatie van een vergadering van het parlement? En de Koning als staatshoofd kon onmogelijk als gast worden aangemerkt: hij vervulde immers een Grondwettelijke taak en hij werd niet uitgenodigd om in de Ridderzaal te verschijnen. Stellinga zou voor het ritueel liever de neutrale term ‘ontmoeting’ gebruiken, een ontmoeting tussen twee staatsorganen, elk met een eigen functie.

Tegenwoordig overheerst de opvatting dat de gebeurtenissen in de Ridderzaal de primaire verantwoordelijkheid zijn van het parlement. De Eerste Kamer stuurt ook de uitnodigingen voor de bijeenkomst, ondertekend door de griffier. Wel vindt er op gezette tijden overleg plaats tussen het Hof en de Eerste Kamer, bijvoorbeeld over de veiligheid van de koninklijke familie.

Hoewel het primaat dus duidelijk bij de volksvertegenwoordiging ligt, lopen individuele Kamerleden er soms wat verloren bij. Zo schreef toenmalig PvdA-Tweede Kamerlid Mei Li Vos in september 2007 op haar weblog: ‘Je bent [...] redelijk nutteloos en overbodig op Prinsjesdag als eenvoudig Kamerlid. De show is geheel voor het koninklijk huis […] en de fractievoorzitters. Alle anderen […] zitten er vooral als decorum bij.’ En dat kan dan weer niet de bedoeling zijn van een feest van de democratie.

Jan Ramakers is als onderzoeker betrokken bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

1.

Deze bijdrage stond in