Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Drie Tenoren

maandag 29 november 2021, 13:00, column van Joop van den Berg
emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis in Maastricht en Leiden

Het is alweer even geleden, maar tijdens het WK voetbal in Italië in 1990 was een optreden gearrangeerd van de ‘Drie Tenoren’, de alom bekende operazangers José Carreras, Placido Domingo en de ultieme huilebalk, Luciano Pavarotti. Het werd een vrolijke boel en daardoor vergat het gehoor dat de drie heren hun beste tijd gehad hadden. Er volgden dus nog wat ererondjes op diverse plekken en op CD. Maar dat was het dan ook wel. Of het de ware liefde voor de opera vergrootte valt te betwijfelen, spectaculair was het wel.

Het gezamenlijke optreden in de kabinetsformatie – toch al een tragikomedie – van drie vertegenwoordigers van evenzovele Hoge Colleges van Staat, doet onweerstaanbaar denken aan de show van de Drie Tenoren van weleer. Een klein gezamenlijk spektakel dus van de vicepresident van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman. De heren waren al eens gezamenlijk rond de tafel gaan zitten in het tv-programma ‘Buitenhof’ en intussen hadden zij er blijkbaar schik in gekregen, net als de tenoren van 1990. Niet alleen verschenen zij gedrieën bij informateur Remkes, maar zij lieten bij hem ook een papier achter met een reeks vermaningen aan regering en parlement.

Er is onmiskenbaar reden tot zorg over het functioneren van de parlementaire democratie en over een aantal serieuze gebreken in de werkwijze van de overheid in ons land. Er is voorts weinig twijfel over dat de colleges die de drie heren vertegenwoordigen daarover behartenswaardige mededelingen hebben te doen. Maar, dat gebeurt alleen indien zij ieder op hun eigen terrein werkzaam blijven en zichtbaar weten te maken dat zij namens de verzamelde competentie van hun instelling spreken of schrijven. Dat geldt misschien minder voor de Ombudsman, die het wat meer van zijn persoonlijke gezag moet hebben.

Neemt niet weg, dat zij hun gezag ontlenen aan het werk van hun colleges en aan de corrigerende invloed die deze instellingen op het politieke bedrijf kunnen uitoefenen. Daar weten zij bij tijd en wijle alle drie indruk te maken en de politieke instellingen tot nadenken te stimuleren. Dat laatste geldt overigens iets minder voor de Raad van State, in het bijzonder de Afdeling Bestuursrechtspraak, die kwetsbaar is geworden voor kritiek op haar werk in de kwestie van de kinderopvangtoeslagen.

Wat er gebeurt als de drie zich met een gezamenlijk papier tot de politieke instellingen wenden is, dat concrete en gerichte kritiek vanuit specifieke competenties wordt vervangen door algemeenheden. Die zijn voor formerende partijen weinig behulpzaam bij het definiëren van een vernieuwd regeringsbeleid. Pretentieuze teksten, dat wel, maar weinig operationeel. Teksten die daardoor een hoog ‘regentengehalte’ krijgen: ‘Het tij moet worden gekeerd’; ‘Politieke en maatschappelijke akkoorden moeten zich beperken tot beleidsintenties’; ‘Als het fundament van de wet niet deugt, is maatwerk bieden in de praktijk dweilen met de kraan open’.

Zegt U dat wel, buurvrouw.

Thom de Graaf, Arno Visser en Reinier van Zutphen leiden belangrijke en onmisbare colleges in de Nederlandse staat en zij zijn daardoor in staat belangrijke, corrigerende invloed uit te oefenen op regering en parlement. Maar, dat gaat toch het best door op hun eigen terrein te blijven en het werk te doen waarvoor zij zijn aangesteld. Een optreden als Drie Tenoren hoort daar niet bij.

 

Prof. dr. J. Th. J. van den Berg is fellow van het Montesquieu Instituut en emeritus hoogleraar in Leiden (parlementaire geschiedenis) en Maastricht (parlementair stelsel).