N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Rechter en politiek: pleidooi voor een meer historische analyse
“Zoals de rechter zich niet met de politiek mag bemoeien, zo moet de bestuurder zich verre houden van kritiek op de rechter. Als er een vonnis is gewezen dat maatschappelijk als onaanvaardbaar wordt gezien, dan is het aan de wetgever om daar via een nieuwe wet op te reageren.” Aldus citeerde het Limburgs Dagblad in 1989 de vice-voorzitter van de Raad van State Wim Scholten in reactie op recente kritiek op rechterlijke uitspraken die ‘te politiek’ werden geacht.
De woorden van Scholten vertonen sterke gelijkenis met de reactie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) op recente Kamervragen van JA21 over rechter Steffie van Lokven. Net als in 1989 toonde JA21 zich hierin kritisch over de vermeende ‘politieke’ rol van de rechter. De NVvR wees deze kritiek af. Door te stellen dat de kritische Kamervragen “doen denken aan Polen” suggereerde de NVvR bovendien dat dergelijke kritiek op een individuele rechter on-Nederlands is.
Met een kleine excursie naar de jaren tachtig toont deze bijdrage allereerst dat een scherpe discussie over de grenzen tussen politiek en rechtspraak ook in Nederland niet ongebruikelijk is. De recente Kamervragen vormen in veel opzichten juist een herhaling van zetten. Met die geschiedenis in het achterhoofd rijst echter de vraag of er, met iets meer historische afstand, niet ook andere vragen te stellen zijn over de verhouding tussen rechter en politiek.
Kritiek op de rechter in de jaren tachtig
Net als bij de recente Kamervragen van JA21, vormde ook in de jaren tachtig de rechtspraak over het asielbeleid voor sommige politici al een steen des aanstoots. Zo liet CDA-Kamerlid Jan Krajenbrink eind 1988 weten “niet blij” te zijn met een uitspraak van de Hoge Raad die een eind maakte aan de opsluiting van asielzoekers in het zogenaamde ‘Schipholhotel’. Met een beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens had de Hoge Raad geoordeeld dat deze opsluiting, bedoeld om Nederland voor asielzoekers minder aantrekkelijk te maken, illegaal was.
Meer persoonlijke kritiek op de rechter was in dezelfde periode onder andere te horen rondom het onderwerp van studiefinanciering. Met zijn uitspraak over de zogenaamde Harmonisatiewet blokkeerde de Haagse rechtbankpresident Meindert Wijnholt een door de regering voorgestelde beperking van het recht op studiefinanciering. Voor de betroffen studenten was de uitspraak een opluchting, maar CDA-Kamerlid Vincent van der Burg typeerde haar als “zomerzotheid” en de betrokken rechter als een “prima donna”. Met deze laatste typering verwees Van der Burg naar het feit dat Wijnholt zich al vaker over politiek omstreden onderwerpen had uitgesproken, zoals over het stakingsrecht van ambtenaren en de plaatsing van kruisraketten. Ook bij eerdere gelegenheden had Wijnholt daarbij niet geaarzeld om, waar nodig geacht, de wetgever terecht te wijzen, zoals in een uitspraak over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de werkloosheidswetgeving.
Tegenreactie en herhaling van zetten
Net als nu volgde op de politieke kritiek op de rechter ook een tegenreactie. Zo sneerde de oppositie dat de regering zich gewoon beter aan de eigen regels moest houden. “Recht is voor de overheid geen norm meer, het is vooral een belemmerende factor, die tegenvallers veroorzaakt”, aldus PSP-fractievoorzitter Andrée van Es in een beschouwing over het Schipholarrest van de Hoge Raad. En rondom de uitspraak over de Harmonisatiewet staken zelfs de coalitiepartijen de hand in eigen boezem over de te haastige spoed waarmee deze wet tot stand was gekomen.
Ook op iets meer afstand van de politiek – bijvoorbeeld in de hierboven aangehaalde Raad van State – vormde de veelvuldige ophef over de rol van de rechter aanleiding voor reflectie op de ‘juridisering van de politiek’ of, omgekeerd, ‘politisering van het recht’. Net als nu ging het daarbij veel over vermeend ‘rechterlijk activisme’ (in de jaren tachtig ook wel: aktivisme), de ‘stoel van de politiek’ en de trias politica. In dat opzicht lijkt de huidige discussie een herhaling van zetten.
Een meer historische probleemanalyse?
Het al sinds de jaren tachtig regelmatig oplaaiende gesprek over de verschillende ‘stoelen’ van rechter en politiek is zonder twijfel zinvol. Juist in deze voortdurende uitwisseling over dagelijkse praktijk en abstracte principes krijgt de afbakening tussen ‘politiek’ en ‘rechter’ in belangrijke mate vorm. Maar behalve over abstracte principes zou die discussie nog meer over de veranderende rechtsstaat zelf mogen gaan. Ook hiervoor biedt een uitstapje naar de jaren tachtig inspiratie.
In het voorjaar van 1987 mengde ook minister-president Ruud Lubbers zich kortstondig in het debat over de rechter. Tijdens een spreekbeurt voor de CDA-afdeling in Noord-Scharwoude wond Lubbers zich op over wat hij beschouwde als de "overbelaste democratie”. Volgens Lubbers waren er inmiddels zoveel regels en procedures waarmee burgers zich tegen het overheidsbeleid konden keren dat de democratie dreigde vast te lopen. Meer dan op individuele rechters en hun uitspraken richtte Lubbers zich dus op de bredere, historische ontwikkeling van de rechtsstaat, die hij tegenover een soort idyllische ‘verantwoordelijke samenleving’ plaatste.
Ook wie Lubbers’ politieke oordeel over de toegenomen hoeveelheid ‘regels en procedures’ niet deelt, zou er goed aan doen om eens stil te staan bij zijn probleemanalyse. De verhouding tussen rechter en politiek wordt immers niet alleen bepaald door de institutionele rollen van beide actoren, maar ook door bredere verwachtingspatronen over rechtsbescherming tegen de overheid, of bijvoorbeeld door de sinds de jaren tachtig alleen maar toegenomen Europeesrechtelijke kaders.
Die verschoven verwachtingen en toegenomen Europese regels berusten op politieke keuzes: kijk maar naar de studenten die de rechtszaak over de Harmonisatiewet begonnen, het PSP-Kamerlid dat het Schipholarrest verdedigde, maar ook bijvoorbeeld RTL Véronique dat zich in 1989 via de Europese rechter het Nederlandse televisielandschap in vocht. Om de individuele rechters te ontzien zou het goed zijn als we het vaker over die politieke keuzes hebben.
Karin van Leeuwen is UD Europese Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Maastricht en doet onderzoek naar ‘juridisering van de politiek’ in het Nederland van de jaren tachtig.