Overslaan en naar de inhoud gaan

Zijn de lokale verkiezingen tweede-orde-verkiezingen?

, column van Simon Otjes & Tim Mickler

Dit artikel verscheen eerder in De Hofvijver van 29 juni 2026

Inleiding 

De gemeenteraadsverkiezingen worden in het publieke debat vaak geduid in termen van de landelijke politiek. De dag na de verkiezingen schreef de Volkskrant bijvoorbeeld dat “het Jetten-effect” uitblijft. NRC-journalist Guus Valk stelde dat gemeenteraadsverkiezingen in in Den Haag worden gezien als “graadmeter voor de landelijke politiek”.

Vanuit wetenschappelijk perspectief is die duiding niet geheel onterecht. Ook in de politicologische literatuur worden gemeenteraadsverkiezingen immers vaak omschreven als verkiezingen van tweede orde. Binnen dit perspectief vormen landelijke verkiezingen de eerste orde. Het uitgangspunt is dat kiezers aan tweede-orde-verkiezingen minder gewicht toekennen, omdat er minder op het spel staat. Dit heeft twee belangrijke implicaties. Ten eerste is de opkomst bij dergelijke verkiezingen doorgaans lager. Ten tweede sturen landelijke overwegingen het stemgedrag bij tweede-orde-verkiezingen. Zo kan een stem op een oppositiepartij worden gebruikt om onvrede met de landelijke politiek te uiten. In die zin kunnen lokale verkiezingen fungeren als een indirecte graadmeter voor de landelijke politieke situatie. Het is een open vraag in hoeverre gemeenteraadsverkiezingen in Nederland daadwerkelijk functioneren als tweede-orde-verkiezingen, of dat kiezers zich vooral laten leiden door lokale overwegingen.

Hier presenteren we de eerste resultaten van het Lokaal Kiezersonderzoek naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2026. Een uitgebreidere versie van dit essay is hier te vinden. 

 

Opkomst  

De verwachtingen over de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen waren voorafgaand aan de verkiezingen laag. Politicologen Hans Vollaard en Henk van der Kolk waarschuwden enkele dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen nog dat de opkomst bij deze verkiezingen “lager dan ooit” zou uitvallen. Tegen deze verwachting in is de opkomst in 2026 gestegen. Met 54 procent lag de opkomst hoger dan bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen, die een historisch dieptepunt vormden. Van groot enthousiasme is echter geen sprake: het betreft de op één na laagste opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1971. 

Tabel 1 laat zien dat ouderen vaker stemmen dan jongeren en dat mensen met een hbo- of wo-diploma vaker stemmen dan mensen zonder zo’n diploma. Politieke interesse is een belangrijke voorspeller: alle politiek geïnteresseerde respondenten hebben gestemd, terwijl onder respondenten zonder interesse ongeveer een derde heeft gestemd. De opkomst is met name onder jongeren toegenomen. Onder respondenten geboren na 1978 steeg de opkomst van iets meer dan vier op de tien in 2022 naar ongeveer de helft in 2026. 

 

Tabel 1: Opkomst naar kenmerk 

Jaar 

2022 

2026 

Geboren voor of in 1978 

56% 

59% 

Geboren na 1978 

43% 

48% 

HBO of WO  

65% 

66% 

Geen HBO of WO 

44% 

47% 

(Tamelijk/zeer) geïnteresseerd 

100% 

100% 

Niet geïnteresseerd 

30% 

29% 

 

Partijkeuze 

Lokale partijen vormen gezamenlijk de grootste politieke familie bij de gemeenteraadsverkiezingen. Zoals verwacht is hun aandeel in 2026 verder toegenomen. Volgens de telling van de Kiesraad steeg het aandeel van lokale partijen van 31 naar 33 procent van de stemmen. De toename in 2026 past binnen deze trendmatige ontwikkeling. 

De vraag is waar lokale partijen hun stemmen vandaan halen. Figuur 1 toont een Sankey-diagram dat de stemovergangen visualiseert van de Tweede Kamerverkiezingen in november 2025 naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2026. De breedte van de stromen geeft het aantal kiezers weer dat van partij is veranderd. In deze eerste analyse onderscheiden we vier categorieën: niet-stemmers, landelijke partijen, lokale partijen en combinatielijsten. Nader onderzoek zal in een latere fase gedetailleerder ingaan op individuele partijen. 

Figuur 1: Sankey diagram tussen Tweede Kamer en Gemeenteraadsverkiezingen 

 

Rechts = PVV en BBB; Links = Volt, DENK, SP en PvdD; Christelijk = SGP en CU; Overig: 50PLUS, Blanco en andere partij 

Uit Figuur 1 blijkt dat kiezers van lokale partijen vooral afkomstig zijn uit het electoraat van diverse landelijke partijen. Daarbij dragen met name kiezers die landelijk op een radicaalrechtse of centrumrechtse partij stemden, waaronder VVD, PVV, CDA, JA21 en D66, bij aan het electoraat van lokale partijen. Deze partijen leveren in vergelijkbare mate stemmen aan lokale partijen. Het aandeel combinatielijsten is bij deze verkiezingen hoger dan bij eerdere metingen. In 2026 stemde 12 procent van de kiezers op een combinatielijst, tegenover 3 procent in 2022. Deze toename hangt samen met het feit dat in deze categorie ook alle GroenLinks–PvdA-lijsten worden meegeteld. Kiezers die landelijk GroenLinks–PvdA stemden, vormen dan ook de grootste groep binnen het electoraat van combinatielijsten, gevolgd door kiezers van D66. 

Een deel van de kiezers dat in 2025 nog stemde bij de Tweede Kamerverkiezingen is bij de gemeenteraadsverkiezingen niet gaan stemmen. Vrijwel alle partijen leveren kiezers aan dit blok.  

Wat bepaalt de stemkeuze? We hebben aan respondenten gevraagd in hoeverre hun stemkeuze werd bepaald door lokale of landelijke overwegingen. Ongeveer de helft van de kiezers geeft aan primair te hebben gestemd op basis van lokale overwegingen. Een derde geeft aan dat lokale en landelijke overwegingen ongeveer even zwaar wogen, terwijl ongeveer een zesde vooral door landelijke overwegingen werd gedreven. Figuur 2 plaatst deze data in historisch perspectief. Hieruit blijkt dat het belang van landelijke overwegingen bij stemgedrag sinds de jaren tachtig sterk is afgenomen. Waar in de jaren tachtig nog meer dan de helft van de kiezers primair door landelijke overwegingen werd gestuurd, is dit aandeel sinds 2018 gedaald tot minder dan 20 procent. 

Daartegenover staat een toename van het aandeel kiezers dat vooral lokale overwegingen laat meewegen. Sinds 2014 vormt deze groep de grootste categorie. De resultaten voor 2026 sluiten aan bij deze langetermijnontwikkeling. 

De mate waarin kiezers zich laten leiden door lokale of landelijke overwegingen hangt samen met hun partijkeuze, zoals Figuur 3 toont. Onder kiezers die vooral door gemeentelijke thema’s zijn gedreven, stemt iets meer dan de helft op een lokale partij. Ruim een derde kiest voor een landelijke partij en iets meer dan een tiende voor een combinatielijst.

Figuur 2: Landelijke en lokale overwegingen 1982-2026 

 

Doorlopende lijn: landelijke overwegingen; stippellijn: lokale overwegingen; streepjeslijn: allebei. LKO 2022/2026; Data 1982-2022: Jansen, G. & Vollaard, H. (2022). “De staat van de lokale democratie in de ogen van inwoners” In: Vollaard, H. & Jansen, G. (red.) Democratie in de gemeente Lokaal Kiezersonderzoek 2022. 

 

 

Figuur 3: Overweging en partijkeuze 

 

Bron: LKO 2026 

Onder kiezers die lokale en landelijke overwegingen ongeveer even zwaar laten meewegen, stemt ongeveer twee derde op een landelijke partij, circa een vijfde op een combinatielijst en ongeveer een zesde op een lokale partij. Onder kiezers die vooral door landelijke politiek zijn gedreven, stemt net minder dan twee derde op een landelijke partij, minder dan een derde op een combinatielijst en minder dan één op de tien op een lokale partij. 

Gaan die landelijke overwegingen met name over het functioneren van het kabinet? In hoeverre hangt (on)tevredenheid met het kabinet-Jetten samen met partijkeuze bij de gemeenteraadsverkiezingen? Onder de relatief kleine groep kiezers die tevreden is met het kabinet, zoals Figuur 4 laat zien, stemt iets meer dan de helft op een landelijke partij (met name VVD, D66 en CDA). Circa 40 procent kiest voor een lokale partij en ongeveer 6 procent voor een combinatielijst (met name GroenLinks–PvdA). Onder kiezers die ontevreden zijn over het kabinet stemt ongeveer de helft op een landelijke partij, circa 30 procent op een lokale partij en ongeveer een vijfde op een combinatielijst. Deze uitkomsten laten zien dat een stem op een lokale partij niet primair kan worden geïnterpreteerd als een stem tegen het kabinet: ook onder kiezers die tevreden zijn over het kabinetsbeleid komt een substantieel aandeel uit bij lokale partijen. 

Figuur 4: Tevredenheid met kabinet-Jetten en partijkeuze 

 

Bron: LKO 2026 

 

Conclusie 

Waren de gemeenteraadsverkiezingen tweede-orde-verkiezingen? Zeiden ze met name iets over de landelijke politiek of meer over de lokale? Om dit te beoordelen zijn twee indicatoren onderzocht: opkomst en stemoverwegingen. Wat betreft opkomst blijkt dat kiezers minder vaak deelnemen aan gemeenteraadsverkiezingen dan aan landelijke verkiezingen. Tegelijkertijd is de opkomst in 2026, tegen de verwachting in, licht gestegen. De lagere opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen hangt samen met een ervaren afstand tot de lokale politiek. Inwoners zonder politieke interesse komen minder vaak opdagen bij verkiezingen dan mensen met politieke interesse. Dit past bij het beeld van gemeenteraadsverkiezingen als verkiezingen met een relatief lagere mobilisatie. 

Wat betreft stemoverwegingen ontstaat een ander beeld. Kiezers geven aan dat lokale overwegingen het belangrijkst zijn bij hun stemkeuze. Dit geldt in het bijzonder voor kiezers van lokale partijen. Er is geen aanwijzing dat ontevredenheid met het kabinet-Jetten leidt tot een verschuiving richting lokale partijen. Stemkeuzes lijken daarmee in belangrijke mate te worden bepaald door lokale contexten. 

Alles overziend is het beeld gemengd. Aan de ene kant wijzen lage opkomstcijfers op beperkte betrokkenheid, wat aansluit bij het idee van gemeenteraadsverkiezingen als tweede-orde-verkiezingen. Aan de andere kant laten stemoverwegingen zien dat kiezers hun keuze vooral baseren op lokale thema’s en contexten. In die zin functioneren gemeenteraadsverkiezingen niet primair als graadmeter van de landelijke politiek, maar eerder als een verkiezing waarin lokale overwegingen dominant zijn voor degenen die deelnemen. 

 

Methodologische verantwoording 

We presenteren hier de eerste resultaten van het Lokaal Kiezersonderzoek 2026. Onderzoekers van de Universiteit Twente, de Universiteit Leiden, de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen, de Universiteit Utrecht, de Universiteit Tilburg, het Sociaal en Cultureel Planbureau en bureau Necker, onder auspiciën van Stichting Kiezersonderzoek Nederland, werkten hiervoor samen met het Centerdata dat het Longitudinale Internet Survey voor de Sociale Wetenschappen (LISS) beheert. 2,801 deelnemers van het LISS hebben de vragenlijst ingevuld. Bij het benaderen van respondenten is gestreefd naar een representatieve steekproef. Meer specifiek is gewogen naar opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2025, opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2026, geslacht, geboortejaar, opleidingsniveau en de mate van stedelijkheid van de woongemeente.