Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Het 'algemene' van ons kiesrecht

Twee jaar geleden ontstond er rond het Binnenhof enige opwinding omdat het ministerie van BZK had bedacht om in 2017 honderd jaar kiesrecht te herdenken. Dat was kennelijk niet helemaal afgestemd met de Tweede Kamer. Haar voorzitter, Khadija Arib, wilde namelijk van geen herdenking in 2017 weten. Want, zo zei zij, pas in 1919 kwam het kiesrecht voor vrouwen tot stand en dus kon er pas in 2019, dit jaar dus, echt honderd jaar algemeen kiesrecht worden gevierd. Dus zat er voor BZK (maar in alle stilte ook de Eerste Kamer) niets anders op dan het hoofd te buigen voor Khadija Arib. Haar wil doorzetten, dat kan je aan mevrouw Arib overlaten.

Toch was er op haar stellingname best iets af te dingen. Natuurlijk had Arib gelijk dat materieel het actieve kiesrecht van vrouwen pas in 1919 tot stand kwam dankzij een initiatiefwet, ingediend door het vrijzinnig-democratische Tweede Kamerlid, H.P. Marchant. Die wilde niet wachten op een kabinet dat vol zat met ministers uit christelijke partijen die tegen vrouwenkiesrecht waren of daarover verdeeld. Er kwam, dankzij vooral katholieke overlopers, een Kamermeerderheid voor het initiatief en de katholieke premier, Ruijs de Beerenbrouck, kondigde aan de wet met zijn contraseign naar het Staatsblad te helpen (waar nogal wat protestants-christelijke Kamerleden en ministers zich door overvallen voelden).

Niettemin was het vrouwenkiesrecht al in 1917 een constitutioneel feit geworden. In de eerste plaats omdat de Grondwet van 1917 het woord ‘mannelijk’ uit art. 84 van de Grondwet-1887 had weggehaald. Vrouwen konden dus tot lid worden gekozen. Bij implicatie werd (art. 90) ook de Eerste Kamer voor vrouwen opengesteld. Daar kwam bij dat – in een omslachtig geformuleerd nieuw artikel in 1917 – niet alleen mannelijke Nederlanders tot kiezen gerechtigd werden verklaard, maar ook vrouwelijke inwoners ‘indien en voor zover de wet haar (…) kiesbevoegd verklaart’.

Met andere woorden: principieel was er tegen vrouwenkiesrecht geen bezwaar meer in te brengen, maar het verdiende de voorkeur dit aan de wet over te laten. Dat was de concessie die aan de christelijke partijen moest worden gedaan. De tegenstand werd vanaf dat moment een achterhoedegevecht, dat dan ook spoedig ten gunste van de vrouw werd beslecht. De Grondwet kon niet meer tegen de vrouw worden ingezet en die erkenning zou voldoende reden moeten zijn om bij herdenking van het algemeen kiesrecht de Grondwetsherziening van 1917 aan te houden.

Vooral voor een sociaaldemocraat was daartoe reden. Want niet alleen strekte het algemeen kiesrecht zich principieel uit tot vrouwen, maar eerst en vooral tot inwoners van alle rangen en standen. Het klasse-element dat zo lang grote groepen burgers van het kiesrecht had uitgesloten, werd uit de Grondwet van 1917 geëlimineerd. Sterker nog: het grondwetsartikel 80 van 1917 gaf een instructie aan de wetgever mee: als er door de wet al beperkingen aan het vrouwenkiesrecht mochten worden gesteld, dan zeker niet ‘uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijke welstand ontleende redenen’. Klasse als maatstaf werd dus uitgesloten.

Is het om die ietwat doorgeschoten aandacht voor vrouwenkiesrecht in de hedendaagse herdenking, dat de discussie vandaag, althans op en rond het Binnenhof, zo zeer gaat over de vertegenwoordiging door vrouwen in beide Kamers?1) Veel meer dan over de vraag of, gemeten naar stand of klasse, iedereen daadwerkelijk toegang heeft tot de beide Kamers van de Staten-Generaal?

Zeker, met de representatie van vrouwen is het wel eens beter geweest dan nu. Op het hoogtepunt (2010) waren 64 van de 150 Kamerleden vrouwen; dat zijn er nu slechts 46. De ironie van het verhaal wil dat die partijen die in hun populisme menen dat ‘de gewone man’ niet meer wordt gehoord noch vertegenwoordigd, de daling van het aantal vrouwen het meest op hun geweten hebben. Zij dragen bovendien, als alle andere partijen, bij aan wat de ‘diplomademocratie’2) is gaan heten: de eenzijdige vertegenwoordiging door academisch gevormde parlementariërs. Of daar in het algemeen veel aan te doen is, is de vraag. Door populistische partijen die de mond vol hebben van het parlement als ‘elitekartel’ wordt er weinig aan gedaan; ook zij leveren hoofdzakelijk academici. Toch is die diplomademocratie een verschijnsel dat minstens zo veel aandacht verdient als de weer gebrekkiger geworden representatie van vrouwen.

J.Th.J. (Joop) van den Berg (1941) is emeritus hoogleraar 'Het parlementaire stelsel: rechtsnormen en machtsverhoudingen' aan de Universiteit Maastricht en een veel gevraagd commentator op het gebied van staatkundige ontwikkelingen, parlementaire geschiedenis en constitutionele verhoudingen. Over die onderwerpen publiceert hij geregeld. Hij is fellow van het Montesquieu Instituut.


1.

Deze bijdrage stond in