Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Wennen aan waterschaarste, werken aan waterbewustzijn

maandag 29 juni 2020, 13:00, Bert Middel

Water, we kunnen er niet zonder. Water betekent leven. Twee-derde van de aardoppervlakte bestaat uit open water. Van al dat water is slechts vier procent zoet. Daarvan ligt de helft in bevroren vorm opgeslagen in de poolkappen en in gletsjers. Met de andere helft, dus slechts twee procent van alle water op de wereld, moeten we het doen. Water voor de natuur om te kunnen voortleven, water voor landbouw en industrie, water voor energiewinning en scheepvaart, water voor alles wat er in het leven toe doet.

Nederland bestaat bij de gratie van het water, waaraan wij in vroegere tijden land onttrokken hebben. Nu al ligt meer dan de helft van ons grondgebied onder de voortdurende stijgende zeespiegel. Om te kunnen overleven moeten we ons dus ook tegen het water beschermen. Kortom, er moet niet alleen een tekort, maar evenmin een teveel aan water zijn. Verstandig omgaan met water, daar komt het op neer.

Dit lijkt zo vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Er moet wel wat voor gebeuren. Zo komen we bij de waterschappen, eenentwintig onafhankelijke functionele overheden die onder meer zorgen voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Dit gebeurt met de inzet van een ingenieus systeem van gemalen, stuwen, sluizen, inlaatwerken, natuurlijke en aangelegde watergangen, keringen, dammen en wat maar verder nodig is voor een optimaal waterbeheer.

Waar voorheen het afvoeren van en het beschermen tegen overtollig water centraal stond, gaat het nu, in tijden van aanhoudende droogte, ook om het vasthouden, bergen en herverdelen van water. Dit vereist een omslag in denken en handelen.

Waterveiligheid was en blijft de kerntaak van de waterschappen. Als gevolg van de klimaatverandering is daar het voorzien in voldoende water bijgekomen. Hier wordt weinig ruchtbaarheid aan gegeven, wat voortkomt uit het al eeuwenoude besef wij nu eenmaal alles kunnen als het om water gaat. We weten gewoon niet beter.

Ons waterbeheer is zonder twijfel het beste ter wereld. Daarbij lijkt het alsof ons niks kan deren, terwijl nietsdoen feitelijk leidt tot het tegendeel. Calamiteiten dus, in de vorm van overstromingen, uitdroging en milieurampen.

Gelukkig rust ons waterbeheer op zowel een onuitgesproken brede politieke legitimatie als op een stevig maatschappelijke draagvlak. Zeker sinds de watersnoodramp van 1953 – de laatste waarbij in ons land mensenlevens verloren gingen – is er een brede consensus over de aanpak van het waterbeheer en de inzet van het daartoe benodigde geld. Ook dit past in de traditie van het waterbeheer in ons land, waar het ‘polderen’ feitelijk binnen de waterschappen is uitgevonden.

Water is een schaars goed, dat ook nog eens niet eerlijk over de aardbol verdeeld is. Als gevolg van droogte kampen steeds grotere gebieden met schaarste aan of zelfs het ontbreken van water. Wereldwijd manifesteert de oprukkende droogte zich als een niet te stoppen natuurramp. Grote delen van de aarde worden volstrekt onleefbaar, met als gevolg zich over de wereld uitzwermende vluchtelingenstromen, ook en wellicht vooral in onze richting.

Ook ons land kampt steeds meer met neerslagtekort, droogte en bijbehorende hittestress. Statistisch gezien kent elke eeuw gemiddeld zes jaren met extreme droogte. Bij ons kenmerken alleen al de laatste drie jaren zich door een bijna ongekende droogte. De gevolgen hiervan kunnen desastreus uitpakken, zowel voor de natuur als voor de landbouw en industrie. En op termijn zeker ook voor de drinkwatervoorziening. Drinkwater, dat kwalitatief zo goed is en daarbij zo goedkoop dat het flessenwater overbodig maakt. Daarmee is ook ons drinkwater het beste ter wereld, terwijl het nog steeds op grote schaal gebruikt wordt om wc’s door te spoelen, zowel auto’s als onszelf te wassen, tuinen te besproeien, zwembaden te vullen en installaties te koelen. Het is domweg te gek voor woorden. De verspilling is grenzeloos.

Het grootste probleem zit niet zozeer in de hoeveelheid oppervlaktewater, wel in het zich veel dieper bevindende grondwater. Terecht dat de drinkwaterbedrijven hierover aan de bel trekken.

Oppervlaktewater is er, ook bij weinig neerslag, vooral dankzij de toevoer vanuit de grote rivieren – Rijn en Maas – in een groot deel van ons land in voldoende mate, zij het dat het wel kunstmatig herverdeeld moet worden. Daarbij zijn vooral het IJsselmeer en Markermeer als grootste waterbuffers van cruciale betekenis. Vooruitlopend op alweer een droge zomer is hier intussen het waterpeil met bijna tien centimeter verhoogd.

Waterschappen en Rijkswaterstaat regelen samen het vasthouden en herverdelen van oppervlaktewater over het land. Bestuurlijk werken zij, met provincies, gemeenten en de Deltacommissaris, samen in het Deltaprogramma Zoet Water. Ter ondersteuning daarvan is er door de rijksoverheid een tijdelijke Beleidstafel Droogte ingesteld. Hieraan zitten vrijwel alle betrokken overheden en maatschappelijke organisaties. Daarbij valt op dat de aloude tegenstelling tussen landbouw, die een betrekkelijk laag waterpeil voorstond, en natuur die een hoog peil wilde, vervluchtigd is. Ook de landbouw roept nu om meer water, om verdroging van het land tegen te gaan.

Kleigrond kan water wat langer vasthouden en als een soort spons fungeren, maar bij watertekort scheurt de bodem. Daar komt bij dat bij te weinig zoet water verzilting dreigt. Bijvoorbeeld door kwelwater, dat onder de dijken doorsijpelt, maar ook door vanuit zee instromend zout water in de grote rivieren. Veengrond is het meest kwetsbaar. Hier leidt droogte tot inklinking van de bodem, waarmee het voor landbouw zo goed als onbruikbaar wordt. Ook veendijken zijn droogtegevoelig, waardoor ‘nathouden’ vereist is. Zandgrond absorbeert water en onttrekt grondwater aan de onderliggende bodemlagen. Vandaar dat het juist op zandgronden van belang is regenwater zo lang mogelijk vast te houden, bijvoorbeeld door het hermeanderen van beken.

Klimaatverandering leidt niet alleen tot droogte en daarbij tot risico’s voor zowel de bodem als de vegetatie, maar ook tot andere vormen van neerslag. Minder gestage regen dat doordringt in de ondergrond, meer hoosbuien met in korte tijd zoveel water dat de bodem het niet aan kan. De uitersten volgen elkaar steeds sneller op. Ook dit vereist een omslag in het denken: de her en der ingerichte waterbergingen, zowel in polders, natuurgebieden als in stedelijk gebied, zullen in de toekomst meer en meer als waterbuffer moeten fungeren. Ze bergen dan niet alleen overtollig water om dit daarna af te voeren, maar slaan ook water op om in tijden van droogte over de omgeving te verdelen. Ook dit vereist een omslag in denken bij natuurorganisaties, gemeenten en landbouw. En dat gaat langzaam.

Met onze ervaring in het waterbeheer lukt het ons om Nederland blijvend van voldoende oppervlaktewater te voorzien. We hebben de politieke wil, we zien de maatschappelijke urgentie en we beheersen als geen ander de techniek om dit te regelen. Drinkwater vormt een veel groter probleem. Hier is een fundamentele mentaliteitsverandering noodzakelijk. Zuiniger omgaan met drinkwater en er geen dingen mee doen die ook met oppervlaktewater of met opgevangen regenwater gedaan kunnen worden. Verdamping tegengaan door meer groen in plaats van beton en tegels. Maar alles staat en valt met een eigentijds waterbesef. De overheid en bedrijven kunnen hier het goede voorbeeld geven, maar uiteindelijk moet het vooral van de burgers zelf komen. Zo niet, dan kan het alsnog misgaan. Dan is er geen weg meer terug.

 

Bert Middel is dijkgraaf bij het Waterschap Noorderzijlvest

1.

Deze bijdrage stond in