Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

‘Tijd voor een links verhaal’

maandag 28 september 2020, 13:00, Bert Middel

Kort na de millenniumwisseling constateerde voormalig PvdA-ideoloog Jos de Beus een ‘onuitstaanbare leegte op links’. De Beus is al jaren niet meer onder ons, maar deze leegte is intussen niet minder geworden. Sterker nog, de leegte bevindt zich niet alleen op links, ook is links intussen zelf een leegte. Links ontbeert een wervend verhaal, mist een heldere visie, schiet tekort aan wenkend perspectief op sociale vooruitgang, gaat mank aan bindend en aansprekend leiderschap en bovenal ontbreekt het vooruitzicht op een betere samenleving.

Met name de Partij van de Arbeid, decennialang het vlaggenschip van links, dreigt te verworden tot een stuurloos en misschien wel zinkend schip.

In ons land is progressieve politiek uit. Links lijkt achterhaald of zelfs erger. Nog geen twintig jaar geleden verwierven zich progressief of links noemende partijen bijna de helft van de Kamerzetels. Nu stelt links getalsmatig niet zoveel meer voor. Het zich sociaal- of progressief-liberaal noemende D66 regeert al weer enkele jaren enthousiast mee in een centrumrechts kabinet. De SP heeft zich weliswaar ontfermd over de sociaaldemocratische erfenis van Troelstra, Drees en Den Uyl, om daar vervolgens in te verzanden, alle linkse retoriek ten spijt. Deze partij kijkt meer achterom dan vooruit. Haar leiderschap heeft het hart op de goede plaats, maar kenmerkt zich vooral door verongelijktheid en verontwaardiging. De paradox is dat de SP zich manifesteert als een linkse partij met cultureel-behoudende trekken.

GroenLinks werpt zich op als het linkse alternatief, wat het niet is en evenmin ooit zal worden. Natuurlijk, deze partij trekt veel hoogopgeleide jongeren, GroenLinks heeft in ons land de klimaatcrisis definitief en prangend op de politieke agenda gezet en de partij wentelt zich in een vergaarbak van progressieve volgelingen, die vooralsnog weinig honkvast zijn gebleken. Daarbij blijft het zwalken tussen enerzijds het bieden van een alternatief voor de gevestigde orde en anderzijds dolgraag gerespecteerd willen worden door de het zittende politieke establishment. Zo kenmerkt GroenLinks zich als de partij van de links-liberalen aan de stedelijke grachtengordels, van de culturele elite, van ‘ons-soort-mensen’, van de weldadige politieke correctheid. Af en toe schurkend aan de macht, in de hoop daarmee door de echte ‘machthebbers’ serieus genomen te worden. Dat deze oppositiepartij daarmee haar eigen uitgangspunten verloochent, is blijkbaar van minder belang. Denk aan de instemming met de Kunduz-missie in 2011 of aan het bij voorbaat steunen van alle departementale begrotingen in 2019. Om toch vooral maar als volwaardig en volwassen beschouwd te worden. Dat wordt niet verhuld door het uiterlijk vertoon van ‘meet-ups’ of politieke festivals. GroenLinks blinkt uit in ‘window dressing’: het oogt weliswaar fraai, maar het is vooral veel buitenkant en heeft te weinig inhoud. Politiek leider Jesse Klaver blijft hangen in het stadium van ‘the new kid on the block’, wiens ‘momentum’ al voorgoed voorbij lijkt te zijn.

Teloorgang

Aan de linkerzijde is het verval van de Partij van de Arbeid wel het meest dramatisch. Niet eens zo lang geleden was de PvdA nog met afstand de grootste partij in zowel zeteltal als binnen de twee achtereenvolgende ‘paarse’ kabinetten, nu is zij in omvang de zesde partij in de Tweede Kamer en de kleinste binnen de linkse oppositie. Al tijdenlang behaalt deze linkse oppositie tezamen in de peilingen evenveel of zelfs minder zetels dan regeringspartij VVD in haar eentje. Ook minder dan de achtendertig die de PvdA bij de voorlaatste Kamerverkiezingen in 2012 in haar eentje behaalde. Links is voorlopig uitgerangeerd.

Op meer plaatsen in Europa is de teloorgang van de sociaaldemocratie zichtbaar, met grotere landen als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië en ook Duitsland als meest treffende voorbeelden. Nieuwe, vooral populistische en nationalistische, bewegingen en sentimenten zijn er voor in de plaats gekomen, zoals in Hongarije, Polen, Italië, Frankrijk, Duitsland en zeker ook Nederland.

In de jaren negentig verslikten sociaaldemocratische leiders zich in de door hen zo bewierookte ‘Derde Weg’ tussen de liberale markteconomie en de sociaaldemocratische verzorgingssamenleving. Sommigen schoten daarin door: Tony Blair van het Britse Labour en Gerhard Schröder van de Duitse SPD dompelden zich na hun aftreden onder in het internationale grote geld, onze ‘eigen’ Wim Kok – die zijn ideologische veren al eerder had afgeschud – zwichtte ook voor het grootkapitaal en werd commissaris bij onder meer Shell en de ING-Bank. François Hollande maakte er in Frankrijk een potje van, waarna zijn partij werd weggevaagd. De ergste van allemaal, Bettino Craxi van de Italiaanse socialisten, ontvluchtte zijn land nadat hij wegens corruptie tot achtenhalf jaar gevangenisstaf was veroordeeld. Zelfs de naam van zijn partij raakte besmet, zodat de Italiaanse sociaaldemocraten zich nu verenigen in de centrumlinkse Democratische Partij.

Ook is het de sociaaldemocratie niet gelukt haar decennialange trouwe traditionele aanhang vast te houden, zeker niet in een samenleving die in toenemende mate multicultureel wordt. Of zij moet al doorschieten naar de andere kant, zoals in Denemarken waar de sociaaldemocraten zich in hun vreemdelingenbeleid de retoriek en zelfs de stokpaarden van het volksnationalisme eigen hebben gemaakt.

Tevens is de sociaaldemocratie er nergens in geslaagd om de groeiende kloof tussen praktisch-geschoolden en hoger-opgeleiden te overbruggen. Solidariteit is een versleten term geworden.

Van de nu nog zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie kennen zeven een sociaaldemocraat als regeringsleider. Daar werkt links samen, als het niet anders kan in een minderheidskabinet, zoals in Spanje, Zweden en Denemarken. Bij ons wordt linkse samenwerking al jaren met de mond beleden en zijn al even lang de linkse partijen elkaars grootste concurrent. PvdA, GroenLinks, de SP en een deel van D66 vissen in dezelfde electorale vijver, die door eigen toedoen almaar kleiner wordt.

Jarenlang beletten vooral het machtsdenken, de betweterigheid en de arrogantie binnen de PvdA een constructieve samenwerking op links. Van sociaaldemocraten wordt wel gezegd dat zij zo behept zijn met het lot van de mensheid, dat zij daarmee de ‘individuele mens’ over het hoofd zien.

De PvdA verkoos een bestuurderspartij ‘links ín het midden’ te zijn, in plaats van een volkspartij ‘links ván het midden’. Het lijkt op elkaar, maar het is een wereld van verschil.

Hoewel de PvdA met afstand de kleinste van de drie linkse partijen is geworden, is de haar kenmerkende arrogantie nog niet verdwenen. Uitgerekend PvdA-leider Lodewijk Asscher, die zijn partij in 2017 naar de grootste verkiezingsnederlaag ooit leidde, werpt zich bij de Kamerverkiezingen van 2021 op als de kandidaat-premier van een nieuw kabinet. Lef kan hem niet ontzegd worden, realiteitszin daarentegen wel. Als vicepremier in het kabinet- Rutte-II was hij een van de architecten van een neoliberaal bezuinigingsbeleid, waarmee onze verzorgingsstaat verder achterop raakte. De rijken werden wel rijker, maar de armen bleven even arm. Collectieve voorzieningen werden overgeheveld naar de markt of met minder geld afgewenteld naar de lagere overheden.

Omdat Asscher het volgens hemzelf bij de verkiezingen veel beter zou doen dan zittend politiek leider Diederik Samsom, pleegde hij op de laatste een door zijn partij gefaciliteerde broedermoord. Vervolgens raakte hij driekwart van de PvdA-Kamerzetels kwijt. Begin deze eeuw verloor Ad Melkert, een van zijn voorgangers, bijna de helft, wat voor hem meer dan genoeg reden was om gedwongen op te stappen. Asscher bleef zitten, om zich vervolgens weer door de PvdA op het schild te laten hijsen. Op zich is dit al opmerkelijk, nog bevreemdender is dat dit zonder enige rimpeling plaatsvond. Geen enkele tegenbeweging in deze ooit van discussies doordrenkte partij, laat staan een tegenkandidaat. De PvdA lijkt lamgeslagen. Niet voor het eerst, wel meer dan ooit.

Paradox

Sinds haar oprichting in 1946 heeft de PvdA vijf existentiële crises beleefd. Het begon in 1947 met het besluit van het kabinet-Drees I tot politionele acties in (toen nog) Nederlands Indië. Daarop volgde in de jaren zestig de politieke en organisatorische ineenstorting van een regenteske en zelfvoldane partij, die de vernieuwingsbeweging Nieuw Links een vruchtbare voedingsbodem verschafte. De derde crisis brak uit in 1991, toen regeringspartij PvdA tornde aan de hoogte en de duur van de WAO, ook van de bestaande gevallen. Het kostte de partij ruim een derde van haar ledenbestand en een groot deel van haar geloofwaardigheid. Ruim tien jaar later vervaagde het zicht van de bestuurderspartij-pur-sang op de onstuimige werkelijkheid van dat moment. De PvdA verloor mede dankzij het opkomende ‘Fortuynisme’ de helft van haar Kamerzetels.

De eerste vier crises wist zij te overleven, de vijfde bepaalt al een tijdje de deplorabele toestand in de PvdA1.Een uitweg valt nog niet te ontwaren. Deze crisis is zo existentieel dat het voortbestaan van de PvdA in het geding is. Nooit eerder was de bestuurskracht van de PvdA zo zwak: niet alleen landelijk, maar ook in gemeenten en provincies. Relatief gezien bevindt het aantal PvdA-wethouders en -gedeputeerden, alsmede het aantal raads- en Statenleden, zich op een absoluut dieptepunt. Nooit eerder ook had de PvdA zo weinig partijleden als de ruim veertigduizend van nu.

Niet de sociaaldemocratie als ideeënbeweging, maar wel de partij die deze belichaamt staat op de rand van de afgrond. Te lang werd alles ondergeschikt gemaakt aan het veiligstellen van een coalitie, met een kabinetspartner die in de daaraan voorafgaande verkiezingscampagne niet voor niets fel bestreden was.

Over sociale rechtvaardigheid en vooral bestaanszekerheid voor een ieder, toch de ‘corebusiness’ van de sociaaldemocratie, wordt nauwelijks meer gerept.

Het is niet dat de kiezers het niet willen begrijpen, het is erger. De PvdA begrijpt haar (voormalige) kiezers niet meer. Het is de vervreemding ten top, alleen anders dan ooit door de grondleggers van het socialisme is bedoeld.

Degenen binnen de partij die wel over charisma beschikken en een aansprekend verhaal kunnen uitdragen, blijven om hen moverende redenen op nationaal niveau op de achtergrond. Het vicevoorzitterschap van Europa of het burgemeesterschap van Rotterdam zetten ze er niet voor op het spel. En je valt de zittende politiek leider niet af, hoewel deze daarin zelf minder scrupules toonde.

De paradox is dat in ons land velen wel sociaaldemocratisch denken, maar niet (meer) stemmen. Zij willen een fatsoenlijke samenleving waarin armoede, achterstand, achterstelling en uitsluiting definitief tot het verleden behoren. Een verzorgingsstaat, waarin niet de markt of de overheid, maar juist de burger centraal staat. Een burger die de vrijheid bezit om zelf te bepalen hoe hij met levensvraagstukken wenst om te gaan. Waar betutteling door de bureaucratie en religieus getinte bedilzucht uit den boze zijn. Met burgers die zich beschermd weten door een rechtsstaat die er voor hen is en dus niet andersom. En waar solidariteit meer is dan een loze kreet, die vooral dient om het hardvochtig omgaan met vreemdelingen te maskeren.

Dit alles is op zich niet nieuw, maar helaas nog altijd actueel. Het past naadloos in het sociaaldemocratisch discours en uitgerekend de belichaming van de sociaaldemocratie, de PvdA, slaagt er maar niet in dit geloofwaardig uit te dragen. Daarentegen was jarenlang het mantra dat ‘de PvdA haar verantwoordelijkheid nam’, alsof de andere partijen dat op hun manier niet deden. Het ging niet om de inhoud, het ging louter om de macht.

Niet alleen zit de PvdA opgescheept met een neoliberale erfenis, ook lijdt zij aan een schrijnend gebrek aan nieuwe ideeën en vergezichten. Juist nu is er behoefte aan een partij die zich durft uit te spreken over een toekomst die we nog niet kennen.

Intussen roept minister-president Mark Rutte, die in 2010 met zijn eerste kabinet een beleid voorstond ‘waar rechts de vingers bij zou aflikken’, van de daken dat ‘Nederland een door en door socialistisch land is’. De onversneden rechtse Rutte neemt geleidelijk de gedaante van ‘Vadertje Drees’ aan. Hij wordt door zijn publicitaire optreden in de coronacrisis, zijn genereuze gebaren en gulle hand alom bewierookt. Dan doet het er blijkbaar minder toe dat in ons redelijk georganiseerde land toch veel misgaat. Denk aan de ellende rond de aardbevingen in Groningen of aan de Kafkaiaanse werkwijze van de Belastingdienst.

De verwachting is dat Rutte’s VVD er garen bij zal spinnen in de eerstvolgende verkiezingen, gesteund door een brede laag van de bevolking. Blind voor waar rechts feitelijk voor staat, stemmen de ‘gewone’ man en vrouw, dus degenen met hoogstens een modaal inkomen, zij die noodgedwongen een beroep doen op de verzorgingsstaat of balanceren op de rand van het afvoerputje van de maatschappij, de mindervaliden en minder-gezonde burgers, tegen het eigen belang in. Eenmaal zonder Rutte loopt de VVD grote kans ook in een (volgende) crisis terecht te komen. Ook de liberalen hebben daar de nodige ervaring mee.

Een gedeeld verhaal

Tijdens de coronacrisis aarzelde centrumrechts geen moment om de door VVD en CDA zo veel bekritiseerde overheid in te zetten als beschermer van zowel werkgevers als werknemers. Geld speelt nog steeds geen rol: verbazingwekkend dat dit uit de monden van neoliberale en behoudende christendemocraten komt. Het lijkt alsof de ‘godfather’ onder de sociaaldemocratische economen, John Maynard Keynes, uit zijn graf is opgestaan. Keynes, die zich tegen drastisch bezuinigen keerde en daarentegen de (dreigende) economische crisis te lijf ging door te pleiten voor een actieve overheid en voor uitbreiding van collectieve voorzieningen.

Investeren door de overheid, het bedrijfsleven ondersteunen, werknemers en uitkeringsgerechtigden bestaanszekerheid verschaffen, het kan opeens allemaal. En ook nog eens alles tegelijk.

Het is nog afwachten wie daarvoor uiteindelijk, in ‘het nieuwe normaal’ de rekening zal betalen. Een nieuw centrumrechts kabinet, laten we zeggen Rutte-IV, belooft wat dit betreft weinig goeds. Het is niet ondenkbaar dat het ‘gewone’ volk uiteindelijk de klos is. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo. Zeker wanneer Rutte-IV door de coronacrisis de wind in de zeilen krijgt.

Anderzijds is er mede dankzij de coronacrisis een politiek gelegitimeerde en maatschappelijk geaccepteerde voedingsbodem gecreëerd, waarop de sociaaldemocratie opnieuw wortel kan schieten. Juist omdat in deze tijd gebleken is dat deze stroming in een fatsoenlijk land onmisbaar is.

De markt, het individu, het maatschappelijk middenveld, de overheid … niets of niemand kan het alleen. Het is bij uitstek de sociaaldemocratie die hier de verbinding kan leggen. Dat heeft zij in het verleden meer dan eens bewezen.

Het voordeel van het nadeel van de coronacrisis, om met onze nationale filosoof Johan Cruijff te spreken, is dat de geesten rijper zijn dan ooit voor een sociaaldemocratische ‘revival’. De vraag blijft alleen: wie staat er op om dit op een vruchtbare en eigentijdse wijze over het voetlicht te brengen?

De PvdA heeft het tot haar eigen ineenstorting altijd ontkend, maar ‘links’ is zowel ideologisch als praktisch meer dan de belichaming van de sociaaldemocratie. GroenLinks en de SP zijn in de kern linkse partijen, terwijl elementen van het linkse gedachtegoed ook te ontwaren zijn in delen van D66 en zelfs het CDA en de ChristenUnie. En dan is er nog de Partij van de Dieren, die al lang niet meer de risee in de gevestigde partijpolitiek vormt.

Tot nu toe slaagde de PvdA er doorgaans in om progressieve krachten buiten haarzelf meer van haar te vervreemden dan met haar te verbinden. Nu bij de vorige Kamerverkiezingen de sociaaldemocratie een les in nederigheid is bijgebracht, kan zij het geleerde uit deze les in de praktijk brengen.

Het is tijd voor een links narratief, dat verder strekt dan de volgende verkiezingscampagne. Een door links ‘gedeeld’ verhaal, waarmee de schrijnende leegte van links gevuld kan worden. Programmatisch samen optrekken, uitmondend in een links stembusakkoord (‘we houden elkaar vast en kijken samen naar coalitiepartners’), organisatorische samenwerking waar desgewenst een samengaan uit kan voortkomen. Wellicht uitmondend in een nieuwe linkse politieke beweging, met een eigentijds en overtuigend leiderschap. Leiderschap dat niet de last van het recente verleden met zich meetorst.

De tijd van de partijtijgers met hun politieke spelletjes ligt hopelijk achter ons. Het is aan een nieuwe generatie om de politieke en ideologische ruimte op links te vullen. Deze generatie dient zich vanzelf aan, zoals de geschiedenis ons altijd weer leert. Zeker wanneer de traditionele leiders tot het inzicht komen dat hun tijd erop zit. Nog is links niet verloren!

 

Bert Middel is dijkgraaf voor het waterschap Noorderzijlvest. Ook is hij voormalig Tweede- en Eerste Kamerlid voor de PvdA en oud-burgermeester van Smallingerland.

 

[1]Zie: Bert Middel: Die Meneer is van ons… Langs de macht en onmacht van de sociaaldemocratie, Uitgeverij Passsage Groningen, 2019

1.

Deze bijdrage stond in