Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

‘Teloorgang van de volkspartij’

maandag 29 maart 2021, 13:00, Gerrit Voerman & Jan Schinkelshoek, met medewerking van Douwe Roest

Over de nieuwe uitdagingen voor de Nederlandse consensusdemocratie

De traditionele volkspartij is op sterven na dood. De uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen bevestigt de reeds langer geleden ingezette trend dat de vanzelfsprekende dominantie van de christendemocratie en sociaaldemocratie afgebrokkeld is. Hun abonnement op een grote, stabiele achterban is verlopen, dat lijkt wel zeker

Hoewel het CDA en de PvdA niet afgeschreven moeten worden - ze kunnen onder een gunstig gesternte best wel weer een keer de grootste worden - speelt er iets mee dat verdacht veel lijkt op een identiteitscrisis. Beide partijen, geworteld in een van oorsprong negentiende-eeuwse ideologie, hebben er aantoonbaar moeite mee hun gedachtegoed voor de een-en-twintigste-eeuwse kiezer aantrekkelijk te maken. Dat laat zich niet gemakkelijk meer herstellen.

Dat ligt anders bij de derde hoofdstroming: het liberalisme. Dat gedachtegoed is van oudsher veel ‘losser’, minder verplichtend, meer fluïde. En dat past beter in het politieke klimaat-van-nu. Zowel in de wat meer conservatieve [VVD] als in de wat meer progressieve [D66] vorm. Omdat het liberalisme in Nederland minder dan sociaal- en christendemocratie de vorm van een volkspartij aannam, kan het ook soepeler inspelen op veranderende omstandigheden - en voorkeuren.

De cijfers spreken voor zich. In 1986 haalde het CDA en de PvdA samen nog 106 zetels in de Tweede Kamer, nu zijn dat er nog maar 24. De liberale partijen, VVD en D66, boekten daarentegen samen een record [58 zetels], meer dan de sociaal- en christendemocratie zelf ooit gehad hebben.

 
1Grafiek Voerman

Grafiek: zetelverdeling Tweede Kamer van de drie grote stromingen 1946-2021

De sluipende moordenaar achter de langzame afrekening met de traditionele volkspartijen is, kort door de bocht, de individualisering van de samenleving. Burgers zijn zich steeds minder gaan identificeren met collectiviteit -of het nu de kerken zijn, omroepen, vakbonden of politieke partijen. Men is zich steeds minder gaan voelen en gedragen als onderdeel van een groep: arbeiders, christenen. Op hun beurt profiteerden liberalen van de toegenomen roep om individuele vrijheden. Dat werd nog eens versterkt door de meritocratie, de idee dat je op eigen kracht je ophoog kunt werken.

Liberalen nemen gaandeweg een plek in het midden van het spectrum in. Vooral D66 is het vacuüm in het politieke centrum aan het opvullen, waar de partij - net als vroeger het CDA - kiezers van links en recht weet aan te trekken. Ook de VVD is langzaam naar het midden verschoven, al is dit grotendeels omdat in de nasleep van de Fortuynrevolte een wirwar van rechts-populistische bewegingen op de rechterflank van de VVD is ontstaan, die zich afzetten tegen migratie, de islam en de multiculturele samenleving.

De oude, in en rond het politieke midden gepositioneerde partijen zijn het meer op de flanken gaan zoeken. De PvdA is na het electorale echec van 2017 ( het gevolg van de nauwe regeringssamenwerking met de VVD) sterk de linkerhoek in gedoken, terwijl het CDA in de afgelopen verkiezingscampagne met lijsttrekker Hoekstra een VVD-light leek. In het slotdebat slaagden de linkse partijen [PvdA, SP en GroenLinks] er nauwelijks in om zich ten opzichte van elkaar te profileren en het CDA hoorde je niet over dat wat de partij van oudsher onderscheidde van andere: waarden, normen, fatsoen.

Die verschuiving-vanuit-het-centrum in de afgelopen jaren ging hand in hand met een andere, minstens zo belangrijke en al veel eerder begonnen ontwikkeling: het afbrokkelen van de samenbindende kracht van partijen als CDA en PvdA. Weg zijn de dagen dat de partijen met een verbindende ideologie tegengestelde belangen en verschillende bevolkingsgroepen tot een samenhangend geheel wisten te smeden. Door het verdampen van volkspartijen is er in het hart van de Nederlandse consensusdemocratie een gat ontstaan. Aan de rand er van staan allerlei nieuwe politieke ondernemers klaar om er in te springen.

Er heeft zich een nieuwe vorm van identiteitsdenken aangemeld. Steeds meer kiezers stemmen op basis van wie ze zijn: plattelander, dierenvriend, allochtoon, 50-plus, jong of zelfs Europeaan.

Nieuw is dat niet. Identiteitspolitiek hoorde altijd al bij de Nederlandse politiek. Hoogtepunt: de verzuiling, waar katholieken elkaar opzochten, net als protestanten en niet-christelijke arbeiders en er eigen partijen op na hielden. Voorbij de verzuiling tekenen zich de contouren af van andere, nieuwe vormen van identiteitsdenken. Nog minder uitgekristalliseerd, maar wel volgens een vergelijkbaar patroon: gelijkvoelenden en -denkenden zoeken elkaar op. Er zijn na deze nieuwe explosie van groepsidentiteit in honderd jaar nog nooit zoveel groepen en groepjes in de Tweede Kamer vertegenwoordigd geweest.

Dat beeld van Nederland-na-de-Kamerverkiezingen-van-2021 is niet compleet zonder de opkomst van een populistisch blok. Sinds Fortuyn [2002] heeft zich op de rechterflank een nieuwe stroming gemanifesteerd. Na de ondergang van Fortuyns LPF is die erfenis in handen gevallen van partijen als de PVV, Forum voor Democratie en JA21, waarbij Wilders en Baudet er nog een schep bovenop deden. Het lijkt er op de oude laagopgeleide achterban van partijen als de PvdA er deels onderdak heeft gevonden, terwijl ook jongeren zich met name door Forum aangetrokken voelen. Deze anti-establishment-partijen hebben de afgelopen tijd laten zien dat ze voor een heleboel rumoer kunnen zorgen.

Op dit versplinterde, genivelleerde speelveld aan het Binnenhof staat het motorblok van VVD en D66 voor de opgave de basis te leggen voor een stabiele regering. Waar zij vroeger aanschoven bij CDA en PvdA, zijn de rollen nu omgedraaid. Het is, anders gezegd, in 2021 aan het nieuwe liberalisme om te laten zien dat het in staat is de samenbindende rol van de traditionele volkspartijen over te nemen. Daarmee is een nieuwe fase voor de Nederlandse consensusdemocratie aangebroken.

 

Gerrit Voerman is directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Jan Schinkelshoek, oud-lid van de Tweede Kamer [CDA], is adviseur van het Montesquieu Instituut. Douwe Roest is als stagair-redacteur bij PDC Informatie Architectuur verbonden aan het Montesquieu Instituut.

1.

Deze bijdrage stond in