Eind mei gingen de verhoren van de parlementaire enquête naar Corona (2020-2022) van start. Ronald Kroeze, hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Radboud Universiteit en directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG), deed onderzoek naar de geschiedenis van dit zware parlementaire instrument. Voor De Hofvijver schetst hij enkele belangrijke ontwikkelingen.
Wetgevingsenquêtes: de eerste reeks enquêtes
In 1848 kreeg de Tweede Kamer het recht om een enquête in te stellen. Het was onderdeel van de door Thorbecke herziene grondwet, maar niet de meest belangrijke wijziging. Voor Thorbecke was het een uitvloeisel van het parlementaire recht op informatie. Een en ander werd nader uitgewerkt in de wet op de parlementaire enquête van 1850, die daarna verschillende malen is herzien. Deze wet gaf de Tweede Kamer bijzondere bevoegdheden om aan informatie te komen. Zo zijn getuigen verplicht te verschijnen als ze worden opgeroepen en staan ze onder ede tijdens het verhoor. Dat de Eerste Kamer en de Verenigde Vergadering het enquêterecht kregen in 1887 onderstreept hoe nauw het enquêterecht verbonden is met de ontwikkeling van het moderne parlementaire stelsel. Tot dusver heeft echter alleen de Tweede Kamer parlementaire enquêtes ingesteld.
In de negentiende eeuw is de parlementaire enquête acht maal ingezet. Het eerste voorstel dat werd aangenomen in 1852 betrof een onderzoek naar de accijns op zout. Daarna volgden onder andere enquêtes naar de verdieping van het Zwolsche diep (1856), de staat van de zeemacht (1861-62) en de toestand in fabrieken en werkplaatsen (1886-1887). Deze enquêtes waren vooral gericht op het verzamelen van informatie bij deskundigen en belanghebbenden ten behoeve van nieuwe wetgeving. Zo was de enquête naar de toestand in fabrieken een aanjager voor strengere arbeidswetgeving. We kunnen deze eerste reeks daarom wel karakteriseren als ‘wetgevingsenquêtes’.
Tegelijkertijd ontstond ook een andere praktijk: het enquêterecht werd aangehaald om de ernst van (vermeende) misstanden te onderstrepen en onderzoek ernaar te eisen. Zo zijn er na 1848 ook voorstellen voor enquêtes gedaan naar malversaties bij de verkiezingen in Limburg (1865), vermeende corruptie bij de verlening van lintjes door premier Kuyper (1909) en mogelijk machtsmisbruik bij politie en justitie bij de vervolging van criminelen in Oss (1938). Deze voorstellen kregen in de Kamer echter niet de vereiste steun van een meerderheid, omdat men ze als al te politiek gemotiveerde enquêtes zag met potentieel vergaande ongewenste consequenties.
Schandaalenquêtes: de tweede reeks enquêtes
Kort na de Tweede Wereldoorlog, in 1947, besloot de Kamer een enquête in te stellen naar het regeringsbeleid tijdens Tweede Wereldoorlog. Deze enquête is een zekere zin een anomalie, omdat het diende om de parlementaire controle, die tijdens de oorlog niet mogelijk was, achteraf te doen plaatsvinden. Ook de duur van de enquête – negen jaar! – is uniek.
Het duurde tot 1983 voordat er weer een enquête plaatsvond. In dat jaar werd een onderzoek ingesteld naar de ondergang van scheepsbouwconcern Rijn-Schelde-Verolme (RSV). De RSV-enquête bleek een kantelmoment: het luidde de start van een nieuwe reeks enquêtes in. Dat gegeven kan alleen worden begrepen in het licht van een aantal bredere ontwikkelingen. Als onderdeel van de vorming van de verzorgingsstaat waren de taken en uitgaven van de regering enorm uitgebreid in de decennia na de oorlog. De Kamer zocht naar mogelijkheden om, al dan niet in samenwerking met anderen zoals de Rekenkamer, haar taak als controleur van de regering te versterken; de contouren van de verantwoordingsdemocratie worden zichtbaar. Bovendien professionaliseerde de rol van Kamerlid en dat vertaalde zich naar nieuwe activiteiten en een sterkere profileringsdrang. In de jaren zeventig was er daarnaast sprake van affaires, zoals het Lockheedschandaal, die tot grote verontwaardiging leidden. In Amerika zag men dat corruptieschandalen door parlementaire commissies, inclusief openbare verhoren, werden onderzocht. Dat droeg eraan bij dat de openbaarheid van de verhoren werd vastgelegd in de op initiatief van de Kamer gewijzigde enquêtewet van 1977. Deze wet bepaalde tevens dat ook bewindslieden onder ede gehoord kunnen worden. Als dan in 1983 – bij de start van het ‘no-nonsense’ kabinet-Lubbers I en tegen de achtergrond van grote financieel-economische problemen – blijkt dat RSV ondanks ruim fl. 2 miljard aan staatssteun toch failliet is gegaan, wil de Kamer het naadje van de kous weten over de beslissingen die aan de steun vooraf gingen.
Tijdens de fase van de verhoren kwamen vervolgens allerlei ernstige zaken aan het licht: mismanagement, discutabel declaratiegedrag en boekhoudkundig gesjoemel dat deels onder de ogen van de overheid plaatsvond. Het leidde tot nieuwe publieke ophef, ook omdat de verhoren werden uitgezonden op televisie. De media vergeleken RSV met Watergate – het tot dan toe grootste schandaal in de Amerikaanse geschiedenis. Burgers uitten via ingezonden brieven hun onvrede over ‘de politiek’. RSV groeide, in meerdere opzichten, uit tot een ‘schandaalenquête’. Er wordt afgerekend met het oude staatssteunbeleid. Dat Gijs van Aardenne (VVD), minister van Economische Zaken, informatie heeft achtergehouden wordt als onaanvaardbaar bestempeld door de enquêtecommissie onder voorzitterschap van Kamerlid Kees van Dijk (CDA). Van Aardenne overleefde een motie van wantrouwen, maar als ‘aangeschoten wild’ kwam zijn carrière daarna wel ten einde.
Meer nadruk op lessen trekken?
Na RSV volgden al snel nieuwe enquêtes, veelal naar aanleiding van nieuwe (vermeende) misstanden. Ook nu bleven ze niet zonder gevolgen voor beleid en wetgeving, maar ook niet voor betrokken bewindslieden. Sindsdien zijn er verschillende ministers en staatssecretarissen afgetreden, bijvoorbeeld als gevolg van parlementaire enquêtes naar de Paspoortaffaire (1988), de Bouwfraude (2002) en het debacle met de Fyratreinen (2013-2015).
De opleving van de enquête bracht daardoor ook een zekere onvrede. Wordt dit zware instrument, dat veel tijd kost, niet te vaak en te snel ingezet? Zijn de voorstanders van enquêtes niet teveel gericht op ‘schuldigen’ aanwijzen en ‘koppen’ laten rollen? En versterkt een enquête zodoende niet het wantrouwen jegens de politiek en de polarisatie in de samenleving? Dit sentiment verklaart mede waarom de huidige enquêtecommissie die onderzoek doet naar Corona veel nadruk legt op de functie van een enquête, zoals traumaverwerking en bovenal het trekken van lessen met het oog op verbeterd handelen in de toekomst. Overigens werd de eerste kritiek daarop ook alweer geuit. In het slotpleidooi van haar verhoor stelde oud-Kamervoorzitter Khadija Arib dat deze commissie wel erg is gericht op ‘lessen trekken’: ‘ik mis wel de nadruk op waarheidsvinding, op verantwoording afleggen.’ Zo bezien past ook de Corona-enquête in een langere geschiedenis: een enquête blijft, zeker wanneer het een gevoelig onderwerp als het Coronabeleid betreft, een onderzoek in een politieke context. Daaraan is inherent strijd en verschil van opvatting over de precieze afbakening van het voorwerp van onderzoek, welke functie prioriteit moet krijgen en welke consequenties een enquête moet hebben. In hoeverre de commissie slaagt in haar opzet, en de Coronaenquête misschien wel de start van een ander type enquête zal inluiden, dat zal de toekomst moeten uitwijzen.
Ronald Kroeze, hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Radboud Universiteit en directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG).
Ronald Kroeze, De herontdekking van de parlementaire enquête. Het RSV-schandaal (1983/84) en de transformatie van de democratie (Amsterdam 2025).
- Zie ook Alphons Dölle, Het recht van parlementaire enquête (Groningen 1985).
Dirk Jan Wolffram, ‘Witte pakken en integraalhelmen. Waarheidsvinding in de tweede golf van parlementaire enquêtes, 1983-2003’, in: Carla van Baalen e.a. (red.), Waarheidsvinding en waarheidsbeleving. Jaarboek parlementaire geschiedenis 2010 (Amsterdam 2010), pp. 63-74.
Kroeze, De herontdekking van de parlementaire enquête, p. 7.
Leonard Ornstein en Ronald Kroeze, ‘Hoe we uit de coronapandemie eindelijk lessen kunnen trekken’, Het Financieele Dagblad, 23 mei 2026, p. 28 en 29. Overigens is lessen trekken al vaker als doel van een enquête geformuleerd, maar de prioriteit die het krijgt en wat ermee wordt bedoeld variëren. CPG-onderzoeker Wiek van Gemert onderzoekt deze thematiek voor zijn promotieonderzoek ‘De politiek van lessen trekken’.
‘Verslag van een openbaar verhoor met Khadija Arib’, 3 juni 2026, p. 61, zie https://www.tweedekamer.nl/sites/default/files/2026-06/20260603%20Arib%20OPENBAAR%20VERHOOR%20verslag%20definitief.pdf