Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Het reglement van orde is nooit af

Het is uiteraard nog de vraag wat er precies met het advies van de werkgroep-Van der Staaij gebeurt. Die werkgroep heeft gekeken naar aanpassing van het reglement van orde van de Tweede Kamer. Of alle voorgestelde wijzigingen zullen worden overgenomen, moet nog blijken. Dat er opnieuw iets verandert aan de werkwijze van de Tweede Kamer lijkt evenwel zeker, al is het niet heel ingrijpend. En er komen daarna vast nog meer veranderingen. In die zin is er sprake van een continue proces.

Eens in de zoveel jaar vindt een meer integrale herziening plaats; de laatste dateerde van 1994. Sinds dat jaar zijn er ruim 70 wijzigingen geweest, waarvan een dertigtal met een zeker belang. Gedacht kan worden aan de regeling van debatten met (in)formateurs, de komst van dertigledendebatten, regeling van het burgerinitiatief, het vervallen van mogelijkheid tot schrapping van woorden uit de Handelingen, regeling van het voortouw bij de formatie en de mogelijkheid tot het overnemen van algemeen gesteunde moties.

De vele tussentijdse wijzigingen leiden soms tot verlies aan tekstuele samenhang, waardoor integrale wijziging nodig bleek. Belangrijker is dat van tijd tot tijd de behoefte bestaat om praktijk en reglement beter op elkaar te laten aansluiten.

In het verleden liepen praktische ontwikkelingen overigens soms vooruit op reglementswijzigingen. In 1962 werd bijvoorbeeld begonnen met een experiment met openbare commissievergaderingen waarin bijvoorbeeld begrotingen werden behandeld en pas in 1966 vond vastlegging in het reglement plaats. Ook de ontwikkeling naar voorbereiding van plenaire behandeling in gespecialiseerde commissies was er eerder dan de formele vastlegging in het reglement.

Er was een tijd dat alle Kamerleden geacht werden over alle wetsvoorstellen inbreng te kunnen leveren. De Kamer verdeelde zich in groepen (afdelingen) waarin iedereen het woord kon voeren. Geleidelijk bleek dat specialisering onvermijdelijk was en vanaf 1888 kwamen er commissies (Commissies van Voorbereiding, Bijzondere Commissies). Ook voor geregeld overleg werden er (vaste) commissies ingesteld, zoals voor Handelspolitiek en voor Buitenlandse Zaken.

De toename van werkzaamheden leidde daarnaast tot het steeds verder ontlasten van de plenaire vergadering. In de jaren zestig mondde dat uit in openbare commissievergaderingen, later uitgebreide commissievergaderingen geheten. Weer later kwamen er andere vormen van mondeling overleg in commissie (nu algemeen overleg geheten).

Bij wijzigingen ging het soms om praktische zaken, zoals de mogelijkheid om eens per week mondelinge vragen te stellen, de instelling van een Presidium en het vermelden van fracties. Het politieke 'klimaat' leidde tot het opnemen van tuchtmaatregelen. Ook Grondwetsherziening maakte soms aanpassing van het reglement nodig, bijvoorbeeld toen de Kamer zelf haar Voorzitter mocht kiezen.

Met die van 1888, 1951 en 1966 behoorde de algehele herziening van 1994 tot de meest betekenisvolle. In 1994 werd de schriftelijke voorbereiding van behandeling van wetsvoorstellen tot één ronde beperkt en werd drastisch geschrapt in het aantal (bijzondere) commissies.

Hoe betekenisvol de komende herziening zal zijn, moet nog blijken. De werkgroep komt niet veel verder dan de 'vergadercultuur', maar die ligt niet vast in het reglement. Van wijze zelfbeperking valt niet veel te verwachten. Zoiets als het schrappen van de formaliteit dat moties bij indiening voldoende moeten worden ondersteund, is overigens nuttig.

Bert van den Braak is onderzoeker bij PDC en hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.

1.

Deze bijdrage stond in