Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De klimtocht van Kok

Nadat Benjamin Disraeli in 1867 was benoemd tot premier van Groot-Brittannië, verklaarde hij niet zonder trots tegen zijn vrienden: ‘I have climbed to the top of the greasy pole.’ Hij verwees daarbij naar zijn joodse afkomst, die naar zijn mening een forse handicap voor zijn politieke ambities was geweest. Ook de achtergrond van Wim Kok (1938-2018), als zoon van een timmerman uit Bergambacht, positioneerde hem niet bepaald optimaal voor het bereiken van het hoogste politieke ambt van ons land. Toch zou hij dat in de zomer van 1994 bereiken, om vervolgens leiding te geven aan twee kabinetten (1994-2002). Als premier groeide hij uit tot een ook internationaal gewaardeerd staatsman. Dat Kok het tot het Torentje heeft gebracht, bewijst enerzijds de gegroeide mogelijkheden tot sociale mobiliteit in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland en anderzijds diens bijzondere persoonlijke kwaliteiten.

De klimtocht van Kok wordt afgewogen en toegankelijk beschreven door Marnix Krop in het recent verschenen eerste deel van wat een tweedelige biografie van de oud-premier moet worden. Jurist en politicoloog Krop was eerder werkzaam als adjunct-directeur van de Wiardi Beckman Stichting en als diplomaat. Het boek is tot stand gekomen met goedkeuring en medewerking van Kok zelf, met wie de auteur in de periode 2016-2018 zestien gesprekken heeft gevoerd. Aan die interviewreeks kwam voortijdig een einde door het overlijden van Kok, op 20 oktober 2018.

De biograaf verbindt de afkomst van Kok met de latere successen in diens loopbaan. ‘Een schrander verstand, een volhardend talent en grote plichtsgetrouwheid brachten hem stapsgewijs vooruit. Een “rode” opvoeding, hard werken en een portie geluk deden de rest. Wim Kok moest voor zijn gevoel van ver komen.’ In het verlengde daarvan ontwaart de auteur in het werkzame leven van Kok een aantal centrale thema’s: de noodzaak van het verrichten van (betaalde) arbeid als noodzakelijke voorwaarde voor persoonlijke ontplooiing, toegang van iedereen tot collectieve goederen, sober leven (gekoppeld aan een streven naar duurzaamheid), een internationale oriëntatie en het vermogen tot verbinden.

In vierhonderd pagina’s tekst (dat is gerekend exclusief de annotatie, waarin veel nuttige aanvullende achtergrondinformatie is verstopt) passeren de eerste 56 jaren van het leven van Kok de revue. Zijn jeugd in de Krimpenerwaard, zijn studie op Nijenrode, zijn opkomst en leidende positie in de vakbeweging, de opvolging van Den Uyl als PvdA-leider (1986) en het vicepremierschap in het derde kabinet-Lubbers. Dit eerste deel eindigt met het aantreden van Kok als minister-president in de zomer van 1994, nadat de PvdA ondanks fors zetelverlies dankzij een nog grotere nederlaag van het CDA toch de grootste partij was geworden. ‘In de politiek liggen de nooduitgang en de ereloge dicht bij elkaar’, erkende Kok met typerende realiteitszin.

In zijn boek gaat Krop op zoek naar het karakter en de diepere drijfveren van zijn hoofdpersoon. Het boek is geen hagiografie geworden; de auteur heeft ook oog voor de karakterzwaktes van Kok. De auteur koppelt ook deze eigenschappen aan Koks afkomst. Kok was soms knorrig en kortaf, vaak aarzelend, wantrouwend, en niet altijd comfortabel in de omgang met anderen. Toch was Kok ook een verbinder, getuige zijn rol in de fusie van de socialistische NVV en het katholieke NKV en zijn bijdrage aan de totstandkoming van het Akkoord van Wassenaar (beide in 1982). Hiermee toonde Kok zich een raspolderaar; een reputatie die hij later als premier ook internationaal zou uitdragen.

Het boek bevat geen grootse onthullingen, al dook de pers na verschijning op de rol die de vrouw van Kok ten tijde van de WAO-crisis (1991) gespeeld heeft om haar man ervan af te houden het bijltje erbij neer te gooien. Het overvloedige gebruik (beter: misbruik) van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid maakte ingreep van het kabinet in de regeling noodzakelijk – dat wist ook Kok –, maar de bezuinigingsvoorstellen van het kabinet-Lubbers III waren voor de PvdA-achterban onverteerbaar. De positie van Kok – behalve partijleider ook vicepremier – kwam onder druk te staan. Een aanmoediging van zijn vrouw Rita weerhield Kok van aftreden. Krop wijst op het louterende effect van crises als deze: ‘Een vooraanstaand politicus kan het niet stellen zonder diepe crises. Tegenslagen maken de man.’

De reconstructie van de formatie van het eerste paarse kabinet (1994) wijkt niet essentieel af van eerdere publicaties hierover.1 De bewering in de inleiding dat de koningin het ‘passend’ vond dat Kok op 6 juli, toen de formatie in een impasse was geraakt, een opdracht als informateur zou krijgen (p. 10), wordt in het betreffende hoofdstuk (p. 383-384) niet herhaald of gestaafd. Er is ook geen bewijs voor een dergelijke koninklijke stellingname. Wel weet Krop op basis van interviews met personen uit de toenmalige entourage van Kok onder wie Arend Hilhorst, Dick Benschop en Hans Anker enkele details toe te voegen aan de bestaande kennis over het opereren van de PvdA-top in die dagen. De partij was op dat moment vooral bevreesd om, net als in 1977, het initiatief in de formatie te verliezen en als grootste partij uiteindelijk in de oppositie terecht te komen. Zij schoof daarom (uiteraard met zijn medeweten) haar eerste man naar voren.

Bij de voltooiing van het project van Krop – in 2022 moet deel 2 af zijn – zullen de meeste voormalige minister-presidenten van de laatste zestig jaar beschreven zijn in serieuze biografieën. Zo verschenen de laatste jaren onder meer door uitgebreid bronnenonderzoek gestutte levensverhalen van Jan de Quay (door Cees Meijer), Jo Cals (Paul van der Steen), Jelle Zijlstra (Jonne Harmsma), Piet de Jong (Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer), Barend Biesheuvel (Wilfred Scholten), Dries van Agt (Johan van Merriënboer, Peter van Griensven en Peter Bootsma) en Joop den Uyl (twee stuks maar liefst: Anet Bleich en Dik Verkuil). Tevens zijn van Ruud Lubbers en Jan Peter Balkenende biografieën in verschillende stadia van voorbereiding. Dat is voor de kennis van de politieke geschiedenis van ons land een verheugend gegeven.

Marnix Krop, Wim Kok. Een leven op eigen kracht, Deel 1, Voor zijn mensen, 1938-1994 (Prometheus; Amsterdam 2019). 524 pp., ISBN 978 90 446 3284 2.

 

1 Alexander van Kessel, ‘“Een gewoon parlementair meerderheidskabinet” De formatie van het kabinet-Kok I (1994)’ in: Carla van Baalen en Alexander van Kessel (red.), Kabinetsformaties 1977-2012 (Amsterdam 2016) p. 221-266.

Alexander van Kessel is onderzoeker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis en is onder andere gespecialiseerd in het genre van de politieke biografie.