Sinds 1998 heeft Nederland tien kabinetten gehad waarvan er slechts één, kabinet Rutte II, de volledige termijn heeft uitgezeten. Door grote zetelverschuivingen tussen verkiezingen en de opkomst van radicaal-rechtse partijen zijn stabiele parlementaire meerderheden een zeldzaamheid geworden.
Het biedt enig perspectief dat ook in de negentiende eeuw een kabinet dat langer dan drie jaar bleef zitten bepaald zeldzaam was. Destijds kwam men dit te boven met een hervorming waarvan de uitkomst onzeker was: een ‘sprong in het duister’.1) Die hervorming was de uitbreiding van het kiesrecht in 1896.
De situatie vóór 1896 en de roep om hervorming
Het kiesrecht was vóór 1896 voorbehouden aan een kleine groep mannelijke kiezers. Het aantal stemmen dat een kandidaat in een district2) moest halen – de zogenaamde kiesdrempel – lag gemiddeld op slechts 755 stemmen.3) Plaatselijke kiesverenigingen konden de uitslag dikwijls al van tevoren zo goed als vaststellen. Deze kiesverenigingen waren netwerken van notabelen of andere invloedrijke personen die het kiezersvolk in hun district beïnvloedden met beloftes van particuliere voordeeltjes of door intimidatie.4) In meer dan 84% van de verkiezingen was er direct een winnaar.
Verzekerd (en afhankelijk) van lokale steun, stemden Kamerleden geregeld tegen kabinetsplannen die zij niet in het belang van hun district – of van de elite in dat district – achtten, zelfs wanneer het kabinet van dezelfde politieke kleur was. Zo hadden de liberale kabinetten van 1868 tot 1874 een ruime meerderheid in de Kamer, maar hield geen van de drie het langer dan twee jaar vol.5) In 1879 stemden dertien liberalen vanwege lokale belangen tegen de Kanalenwet van de liberale minister Tak van Poortvliet. Het gevolg was opnieuw een voortijdig einde van een kabinet, ditmaal van het kabinet-Kappeyne van de Coppello.
Vooruitstrevende liberalen, die juist van dit kabinet veel hadden verwacht, presenteerden kiesrechthervorming expliciet als oplossing. Kiezersbeïnvloeding, zo schreven zij in het Manifest voor Algemeen Kiesrecht van 1880, zou moeilijker worden naarmate het aantal kiezers toenam. De ‘tirannieke kiesvereniging’, waartegen gewone kiezers niet durfden in te gaan, zou zo buitenspel worden gezet.6)
Daarmee vertolkten zij al de kern van wat later een belangrijke theorie7) zou worden. De gangbare methode van lokale beïnvloeding vergde veel geld en manuren en werd bij een groter electoraat steeds minder werkbaar. Om kiezers op grotere schaal voor zich te winnen, moesten kandidaten daarom een beleidsprogramma presenteren: bijvoorbeeld belastinghervormingen, staatspensioenen, hervorming van de dienstplicht of compensatie voor religieuze scholen. Voor zulke plannen was een parlementaire meerderheid nodig. Een kandidaat die geen deel uitmaakte van een georganiseerd verband in de Kamer dat het over dergelijke plannen enigszins eens was – een partij – was daarom minder geloofwaardig.
Kandidaten werden zo, ook wanneer ze formeel al gelieerd waren aan partijen als de Anti-Revolutionaire Partij sinds 1879 en de Liberale Unie sinds 1885, steeds afhankelijker van een nominatie door de partijleiding. Bovendien profiteerden zij van het organisatorische vermogen van een partij om campagne te voeren en kiezers te mobiliseren. Tot slot hadden zowel Kamerleden als partijkader er belang bij dat de partij een reputatie genoot als een eensgezind genootschap. De verwachting is dus dat de uitbreiding van het kiesrecht partijvorming bevordert. In mijn onderzoek heb ik uitgezocht of dit daadwerkelijk het geval was.
De Kieswet van Van Houten en partijvorming in de Tweede Kamer
In Nederland kwam de eerste serieuze uitbreiding van het kiesrecht, na een hoogoplopende strijd over het voorstel van Tak van Poortvliet,8) in 1896 met de Kieswet van Van Houten. De wet verdubbelde het aandeel volwassen mannen met kiesrecht van ongeveer een kwart naar bijna de helft. Naarmate meer mannen zich onder de wet kwalificeerden, was in 1917, nog vóór de invoering van het algemene mannenkiesrecht, al meer dan 70% van de volwassen mannen stemgerechtigd.9)
Om te meten in hoeverre Kamerleden zich als partij gedroegen, verzamelde ik alle 3.205 hoofdelijke stemmingen in de Tweede Kamer tussen 1888 en 1917. Een hoofdelijke stemming over een wet, artikel, amendement, motie of voorstel kon door ieder Kamerlid worden aangevraagd, waarna iedere aanwezige zich vóór of tegen moest uitspreken. Zo kan ik meten hoe vaak Kamerleden openlijk tegen de meerderheid van hun partij stemden.
De eerste belangrijke bevinding is dat dissidente Kamerleden, naarmate het aandeel kiezers in hun district steeg, vaker niet werden herkozen of op eigen initiatief vertrokken. Vóór 1896 bleek het voor een Kamerlid juist lonend om vaker tegen de partijlijn in te gaan, vermoedelijk omdat hij daarmee lokale belangen verdedigde en zijn positie in het district versterkte. De tweede bevinding is dat ook zittende Kamerleden hun gedrag aanpasten: in districten waar het aandeel kiesgerechtigde mannen sterker toenam, daalde ook hun neiging om tegen de partij in te stemmen sterker.
Als gevolg hiervan nam de partijcohesie na 1896 toe. Vóór de hervorming stemde tijdens de gemiddelde hoofdelijke stemming ongeveer 15 procent van de Kamerleden tegen de meerderheid van hun eigen partij; daarna daalde dat tot ongeveer 7 procent. De winnaars waren de regeringspartijen, die met een meer eensgezinde meerderheid vaker hoofdelijke stemmingen wonnen. De partijen die de kabinetten Kuyper, Heemskerk en Cort van der Linden steunden wonnen bijvoorbeeld meer dan 80% van de hoofdelijke stemmingen. Ook werden wetsartikelen die hoofdelijk in stemming kwamen vaker aangenomen – van 78 vóór 1896 naar 90 procent erna – terwijl amendementen vaker werden verworpen: het aandeel aangenomen amendementen daalde van circa 38 naar 26 procent.
Democratie is werk in uitvoering
In 1889 sprak Tak van Poortvliet de Kamer toe dat voor welke hervorming dan ook eerst de ‘regeling van de kiesbevoegdheid onmisbaar’ was, vermoedelijk met het falen van zijn Kanalenwet in het achterhoofd. We mogen hem in zekere zin gelijk geven. De kiesrechtuitbreiding van 1896 maakte het moeilijker om verkiezingen via lokale netwerken te winnen en juist vruchtbaarder om zich aan programma’s en partijen te binden. Daarmee kwam geleidelijk een einde aan het tijdperk van het eigengereide Kamerlid dat vooral zijn district bediende en zonder consequenties kabinetsplannen kon dwarsbomen. Er brak een nieuwe periode aan van een door partijen bestuurde democratie, stabielere kabinetten en een beter functionerend parlementair bestel.
Het kiesrecht nóg verder uitbreiden is vanzelfsprekend geen optie meer en bovendien een medicijn voor een andere kwaal dan de huidige versplintering in de Tweede Kamer. Wel mogen we anno 2026 de les trekken dat onze democratie ‘werk in uitvoering’ blijft.10) Met de concrete aanbevelingen uit het rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel nog altijd op de plank, is het opnieuw aan de Tweede Kamer zelf om een sprong te durven wagen naar een beter functionerend bestel.
Dr. Victor Ellenbroek, onderzoeker bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen aan de Rijksuniversiteit Groningen. In april 2026 promoveerde hij aan het Europees Universitair Instituut met het proefschrift “Changing Democratic Institutions: Case Studies on Electoral System and Franchise Reform in Germany and the Netherlands”.
Ron de Jong, “Een Sprong in Het Duister. De Invoering van Het Direct Kiesrecht in 1848 En de Uitbreiding van Het Kiesrecht Tot 1896.,” in Tussen Geschiktheid En Grondrecht. De Ontwikkeling van Het Nederlandse Kiesrecht Vanaf 1795 (Amsterdam University Press, 2018).
Een kandidaat moest in een district een meerderheid van de stemmen behalen. Was er na de eerste ronde geen winnaar, dan volgde een tweede ronde tussen de twee kandidaten met de meeste stemmen. Het aantal districten (en Kamerleden) veranderde regelmatig tussen 1848 en 1896.
Verkiezingsdata afkomstig uit “Databank Verkiezingen Tweede Kamer 1848-1918,” Ron de Jong et al., Verkiezingen Tweede Kamer 1848-1918, https://resources.huygens.knaw.nl/verkiezingentweedekamer.
Ron de Jong, Van Standspolitiek Naar Partijloyaliteit. Verkiezingen Voor de Tweede Kamer 1848-1887. (Uitgeverij Verloren, 1999).
Zie ook G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901. (Martinus Nijhoff, 1980).
J. D. Veegens et al., Adres van Het Comité Voor Algemeen Stemrecht Aan de Tweede Kamer Der Staten-Generaal (J.H. De Bussy, 1880), https://rozet.nl/catalogus/650752/adler32/; J. A. van Gilse, “De Practijk Onzer Verkiezingen,” Vragen Des Tijds 5 (1879): 172–99.
Zie Gary W. Cox, The Efficient Secret: The Cabinet and the Development of Political Parties in Victorian England, Political Economy of Institutions and Decisions (Cambridge University Press, 1987), https://doi.org/10.1017/CBO9780511571473; A. Lizzeri and N. Persico, “Why Did the Elites Extend the Suffrage? Democracy and the Scope of Government, with an Application to Britain’s ‘Age of Reform,’” The Quarterly Journal of Economics 119, no. 2 (2004): 707–65, https://doi.org/10.1162/0033553041382175.
Toen Tak in 1891 minister werd en voorstelde om alle mannen die konden lezen en schrijven stemrecht te geven, kreeg hij opvallend genoeg bijval van Kuyper en Schaepman. Zij waren eveneens ontevreden over het eigengereide gedrag van antirevolutionaire en katholieke Kamerleden, dat in 1891 had geleid tot het voortijdig einde van het kabinet-Mackay. Taks voorstel haalde het niet. Wel kwam er in 1896 een compromiswet.
J. de Vries, “Het censuskiesrecht en de welvaart in Nederland 1850-1917,” in Economisch- en sociaal-historisch jaarboek. Uitgegeven door de Vereniging het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief, vol. 34 (Martinus Nijhoff, 1971).
R. B. Andeweg et al., Werk in uitvoering: beschouwingen over het functioneren van de democratie (Spectrum, 2018).