Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Wat is eigenlijk urgent?

De Tweede Kamer heeft een eigenaardige opvatting over wat ‘urgentie’ betekent. Een debat over notulen van de ministerraad die nauwelijks nieuwe informatie bevatten, bleek voldoende reden om een reces te onderbreken. Een debat over het eindrapport van informateur Tjeenk Willink, waarbij zou moeten worden beslist over de voortgang van de kabinetsformatie bleek voor zo’n onderbreking onvoldoende reden.

Alsof er bij deze kabinetsformatie geen problemen van belang op het spel staan: het economisch, sociaal en cultureel herstel uit de coronacrisis; een oplossing voor de grote stikstofproblemen die de woningbouw doen stagneren en de landbouw in problemen brengen; de hoogst noodzakelijke hervorming van de arbeidsmarkt, die nieuwe zekerheid moet brengen; de aanwending van de middelen uit het Europese Coronaherstelfonds (RRF); vervanging van het toeslagenbestel, de moderne variant van diaconie en Vincentiusvereniging. De lijst is verre van compleet.

Voor het RRF had de regering al vóór 1 mei de vereiste documenten moeten inleveren, maar Europa moet wachten tot wij hier klaar zijn met de regeringsvorming. Vorig jaar wist de Nederlandse regering precies wat anderen allemaal moesten doen om voor Europees geld in aanmerking te komen. Nu Nederland zelf ook moet leveren, is alle haast verdwenen.

Voor het kabinet is het prettig dat de Tweede Kamer daar niet voor in opstand komt; die heeft het te druk met ‘het vertrouwen’ in premier en kabinet en met ‘de bestuurscultuur’. Tot die ‘cultuur’ behoort het blijkbaar dat de burgers, ondernemingen en cultuurinstellingen wel even kunnen wachten, totdat de dames en heren van vakantie terug zijn, want zij hebben het de laatste maanden van de campagnetijd allemaal zo druk gehad. Nog een geluk dat artsen en verpleegkundigen in de ziekenhuizen hun meivakantie wel wilden opgeven.

Als de Kamer over het rapport van Tjeenk Willink heeft gesproken en (hopelijk) een informateur heeft aangewezen, zullen er twee maanden voorbij zijn en moet er met de formatie eigenlijk nog worden begonnen. Dan pas weten wij immers hoe de adviezen van Tjeenk Willink door de Tweede Kamer worden beoordeeld en of zijn werk dus enig effect zal hebben.

Die adviezen gaan niet zozeer over de hiervoor genoemde grote vraagstukken, maar meer over de verhouding tussen regering en parlement, over de kwaliteit en het karakter van de wetgeving in Nederland, over de kwaliteit en het gezag van nieuwe ministers en, zoals het fijntjes wordt genoemd, hun ‘constitutionele geletterdheid’. Begrijpen zij, met andere woorden, iets van hun staatsrechtelijke rol en positie en het vereiste respect voor volksvertegenwoordiging en burgers? Tjeenk Willink heeft het vervolgens terecht over de verslonsde inhoudelijke kwaliteit en organisatie van ministeries, vooral bij de uitvoering van politieke besluiten.

Wie het eindrapport van de informateur goed leest, ziet dat de Tweede Kamer ook serieus naar zichzelf moet kijken: “Vertrouwen en matiging hebben plaatsgemaakt voor wantrouwen en escalatie. ‘Verantwoording vragen’ wordt vervangen door ‘schuldigen zoeken’ en ‘van fouten leren’ wordt vervangen door ‘afrekenen’”. De eerste weken van de nieuw gekozen Tweede Kamer zijn niet echt een blijk geweest van het besef dat het anders moet.

Daar moet eerlijkheidshalve worden bij gezegd, dat het de nieuwe Tweede Kamer door de kiezers niet gemakkelijker is gemaakt: zeventien fracties waarvan zeven met drie zetels of minder. Op deze versnippering is de orde in de Tweede Kamer niet berekend, zoals tijdens de eerste debatten al aanstonds is gebleken. Zoals bekend, compenseren hele kleine fracties hun minimale spreektijd door een spervuur los te laten van interrupties, waarbij zij drie keer kunnen interveniëren voordat hun beurt voorbij is. Als dat bij formele spreektijden van ongeveer vier minuten al leidt tot debatten van vijftien uur, wat moet het dan worden als een debat werkelijk ergens over gaat?

Op zichzelf hoeft die versnippering geen ramp te zijn, indien verwante fracties in staat zijn nauw samen te werken. Dat is niet alleen een kwestie van spreektijd. Beseft moet worden dat te kleine fracties niet zijn opgewassen tegen de informatievoorsprong van de regering. De Kamer denkt zelf dat fracties van elf leden het minimum zijn; te vrezen valt dat ook die nog te klein zijn, als zij het hele terrein van de politiek willen overzien.

Te veel, te kleine fracties hebben ten slotte een onevenredige invloed op de agenda van de Kamer, blijkbaar met gevolgen voor wat zij als ‘urgent’ aanmerkt.