Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Tijd om aan de slag te gaan

maandag 31 mei 2021, 13:00, column van prof. dr. Joop van den Berg

Ook voor wie al kabinetsformaties bewust als publicist heeft meegemaakt sinds 1971, zo’n vijftien keer dus, is deze zestiende ervaring van 2021 een heel bijzondere. Natuurlijk, elke formatie is weer een heel nieuwe ervaring, al is de ene verrassender en opwindender dan de andere. Voor de politicoloog is het sowieso ‘never a dull moment’. Maar, de ervaringen in 2021 zijn wel heel bijzonder, en dan is er eigenlijk nog steeds niets echt bereikt, terwijl er op het Binnenhof al bijna tien weken zijn verstreken sedert de verkiezingen van 17 maart. Er is bij voorbeeld nog geen enkel zicht op wie de mogelijke partners in een coalitie zullen zijn. Informateur Mariëtte Hamer is nog niet veel verder gekomen dan therapeutische sessies met potentiële deelnemers aan een kabinet.

Maar, de sensaties hebben sinds eind maart over elkaar heen gebuiteld, sinds de beruchte woorden ‘Positie Omtzigt, functie elders’ per ongeluk in de openbaarheid terecht waren gekomen. Moties van wantrouwen en afkeuring, poging tot aangifte wegens ambtsmisdrijf en drie ‘debatten’ (waren het dat eigenlijk wel?) waarbij oude kabinetsnotulen op straat werden gegooid en waarin vooral de belangrijkste winnaar van de verkiezingen het moest ontgelden hielden de aandacht gespannen. En vervolgens werd er onbekommerd tien dagen vakantie genomen. Dat kon de klimaatcrisis best even hebben.

Stof voor reflectie was er onmiskenbaar meer dan voldoende. Diverse columns zijn al geschreven over de nu al bijzondere kabinetsformatie van 2021. Wie er kennis van neemt, proeft de verbijstering van de auteur, ook al is die al vijftig jaar aandachtig toeschouwer van formaties. Laat niemand beweren dat Nederland politiek een saai land is.

Het dilemma van links

Er is de klassieke uitspraak van Drees die, als zijn partijgenoten weer eens ontevreden waren over het door de PvdA bereikte, zei: ‘Begrijp dat wij niet kunnen zonder de KVP, maar de KVP wel kan zonder ons.’ Een linkse partij, in Nederland per definitie in de minderheid, kan alleen maar verlangens tot gelding brengen als zij wordt gesteund door niet-linkse partijen. Links kan dus niet bevelen, het kan overtuigen, desnoods overreden. Dat is na de verkiezingen van 17 maart meer dan ooit het geval: de drie linkse partijen - SP, PvdA en GroenLinks – tellen bij elkaar 26 zetels in de Tweede Kamer. In een royale bui kan je fracties als Bij1 en Partij voor de Dieren nog meerekenen, maar dan nog kom je niet verder dan 32 zetels, bijna evenveel als de PvdA alleen bezette tot 2017.

Urgentie? Daar heeft de Tweede Kamer een geheel eigen opvatting over

De Tweede Kamer heeft een eigenaardige opvatting over wat ‘urgentie’ betekent. Een debat over notulen van de ministerraad die nauwelijks nieuwe informatie bevatten, bleek voldoende reden om een reces te onderbreken. Een debat over het eindrapport van informateur Tjeenk Willink, waarbij zou moeten worden beslist over de voortgang van de kabinetsformatie bleek voor zo’n onderbreking onvoldoende reden.

Alsof er bij deze kabinetsformatie geen problemen van belang op het spel staan: het economisch, sociaal en cultureel herstel uit de coronacrisis; een oplossing voor de grote stikstofproblemen die de woningbouw doen stagneren en de landbouw in problemen brengen; de hoogst noodzakelijke hervorming van de arbeidsmarkt, die nieuwe zekerheid moet brengen; de aanwending van de middelen uit het Europese Coronaherstelfonds (RRF); vervanging van het toeslagenbestel, de moderne variant van diaconie en Vincentiusvereniging. De lijst is verre van compleet.

Versplintering

Sinds het verval van de oude volkspartijen van christendemocraten en sociaaldemocraten, overal in West-Europa, hebben zich twee nieuwe verschijnselen daarvoor in de plaats gemeld: versplintering en verharding in de politieke arena.

Dat de vorming van kabinetten er moeilijker door wordt, weten wij intussen wel, al blijft dat probleem relatief beperkt. De formatie kan lang duren en soms, zoals in 2012, is er ook weinig echte keus. Veel ernstiger is dat de fracties die genoeg leden hebben om het werk goed te organiseren meestal tot de coalitie gaan behoren; voor de oppositie blijft hoofdzakelijk ‘gruis’ over en bijbehorende verdeeldheid. Dat gaat ten koste van de kracht van het parlement als geheel. Juist nu wij bij diverse affaires hebben (her)ontdekt dat een regering moet worden tegemoet getreden door sterke fracties in het parlement, moeten wij tegelijk vaststellen dat de kracht om effectief tegenwicht te bieden gaat ontbreken.

 

Joop van den Berg is emeritus hoogleraar parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht.