N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Jaargang 11, nummer 120
Toch een grotere Tweede Kamer?
Uit de archieven van het Montesquieu Instituut
Dan toch maar een uitbreiding van de Tweede Kamer? <br />
Om de werkdruk aan het Binnenhof te verlichten - als remedie tegen een burn-out van politici - zijn er verschillende mogelijkheden. Het Montesquieu Instituut heeft er enkele in kaart gebracht. <br />
<br />
De meest voor de hand liggende is een minder overbelaste Kameragenda, zoals Kamervoorzitter Vera Bergkamp vorige week suggereerde. Ook wordt veel gepleit voor een andere rolopvatting van Kamerleden: minder hijgerig, meer controlerend. Betere ondersteuning van Kamer, Kamerfracties en Kamerleden is een derde mogelijkheid. Twee jaar geleden is er een begin mee gemaakt.<br />
<br />
De meest omstreden mogelijkheid is uitbreiding van het aantal Kamerleden. Sinds 1956 telt de Tweede Kamer 150 leden, vergeleken met andere Europese parlementen aan de bescheiden kant. Wie uitgaat van Thorbecke [1848], komt uit op een Kamer met 384 afgevaardigden, rekende politicoloog Simon Otjes voor.
Jan van den Bos, voorzitter Inspectieraad, over het belang van onafhankelijk toezicht
Lijdelijk toezien? Het Montesquieu Instituut legt de laatste hand aan een bundel over het bestuurlijke toezicht, ondergebracht bij een bonte verzameling aan rijksinspecties [van de Onderwijsinspectie tot het Staatstoezicht op de Mijnen]. Het toezicht staat regelmatig bloot aan kritiek. Is het te lijdelijk? Is onafhankelijkheid een oplossing? Helemaal los van ‘Den Haag’? Of juist niet? De bundel - nr. 18 in de Montesquieu Reeks - verschijnt midden juni. Jan van den Bos, voorzitter van de Inspectieraad, doet alvast een voorzet: ‘Wij kunnen als rijksinspecties, van groot belang als ingebouwde stabilisatoren van het landsbestuur, niet de schijn tegen hebben dat we aan een leiband lopen.’
‘…Een politieke en bestuurlijke cultuuromslag klinkt zo mooi, zo fris dat je er beter maar niet moeilijk over kunt doen. Maar zijn die cultuurvernieuwers zich ervan bewust dat dit de deur wagenwijd open zet voor wat eufemistisch beleidsbeïnvloeding wordt genoemd? [..] De afgelopen jaren sterk geprofessionaliseerd, is het lobbyisme als geen ander in staat om in het gat te springen. Het weet wat het wil, het weet wat er speelt, het heeft de argumenten voor en tegen goed doordacht, het heeft uitgewerkte alternatieven. Als Kamerlid moet je sterk in je schoenen staan om tegenwicht te bieden...’