Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De lange warme zomer voor de verkiezingen

Arco Timmermans, onderzoeksdirecteur van het Montesquieu Instituut

‘The Dutch are back!’ Dit was volgens CDA-Europarlementariër Wim van de Camp de reactie in Brussel toen het kabinet net op tijd voor 30 april de begroting indiende bij de Europese Commissie. De financiële plannen moeten volgens Europese afspraak voorzien in een verlaging van het begrotingstekort naar 3 procent in 2013. Het zogenaamde wandelgangenakkoord met D66, GroenLinks en de ChristenUnie behoedde het minderheidskabinet van premier Rutte voor een afgang.

Terwijl de betrokken partijleiders opgelucht een rondje maakten in de draaimolen op de Koninginnedagkermis op het Lange Voorhout, bleek dat het Centraal Planbureau de overeengekomen plannen nog te vaag vindt om ze te kunnen doorrekenen op hun effect op het begrotingstekort. Dat is de ironie van de geschiedenis van afgelopen week. De vijf partijen die zo vlot hun handtekening hebben gezet, moeten de komende tijd echt invulling aan de spontane politieke liefde gaan geven. Intrekken van het voorgenomen boerkaverbod zal hier weinig bij helpen.

De euforie rond het wandelgangenakkoord had vooral symbolische betekenis. Wilders die wegliep en vervolgens Kamerbreed werd uitgelachen, CDA-prominenten die na anderhalf jaar eindelijk hardop konden zeggen dat ze die hele constructie met de PVV eigenlijk altijd al te gammel vonden. De drie partijen die het kabinet om het landsbelang hebben geholpen om de papieren naar Brussel op te sturen. De peilingen die wat zetels winst lieten zien.

Maar samen met het kabinet hebben de drie nieuwe gedoogpartijen nu een morning after-probleem. Onderhandelingen over extra bezuinigingen in de stijl van het Catshuisberaad, dat deden eerdere kabinetten ook al. Bijna tien jaar geleden werd de agenda na de doorstart van Balkenende in zijn tweede kabinet er volledig door gedomineerd. Tal van financiële pijnpunten moesten worden aangepakt. En we herinneren ons de heftige ‘regeerakkoorts’ die woedde tijdens het eerste kabinet van Lubbers, begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Bezuinigingstaakstellingen werden tot op de komma vastgelegd. Alleen werden al die afspraken gemaakt onder het politieke comfort van een meerderheidscoalitie en zonder vervroegde verkiezingen in het vooruitzicht. En zelfs toen werden de bezuinigingen vaak helemaal niet waargemaakt omdat ministers er slim onderuit wisten te komen.

De komende tijd gelden veel lastiger omstandigheden dan in een kabinet waar ministers gaan protesteren omdat de te realiseren bezuinigingen misschien wat scheef zijn verdeeld. Er komen verkiezingen aan op 12 september, partijen zijn onzekerder dan ooit over de electorale winst of verliesrekening, nieuwe partijleiders staan te trappelen om zichzelf te bewijzen. Rutte kan niet blind varen op de premiersbonus in de verkiezingen, Samsom van de PvdA moet in de herkansing, Roemer mag geen gepeilde zetels kwijtraken. En wat als blijkt dat kiezers het verlies aan politieke geloofwaardigheid van de PVV helemaal niet zo erg vinden als ze voor de stembus staan?

De komende maanden zal blijken of de partijen rond het wandelgangenakkoord echte politieke moed hebben. Dat bezuinigingen ‘moeten’ van Brussel ligt niet erg prettig in het gehoor in de komende verkiezingscampagne. Dat bezuinigingen van het demissionaire minderheidskabinet zelf moeten, geeft evenmin veel vastheid over de uitkomst van de verdere onderhandelingen. De meeste partijen buiten het kabinet willen helemaal geen harde en koude saneringen in de uitgaven, ze willen minder snijden of grondig hervormen en dat kost veel politieke energie in ons consensusland. Dat levert geen resultaat op de korte termijn. Warmlopende partijleiders voor de verkiezingen lopen doorgaans niet erg warm voor pijnlijke ingrepen die zetels kunnen kosten. Kortom, Mark Rutte zou wel eens de langst zittende demissionaire premier van Nederland kunnen gaan worden.

Den Haag, mei 2012


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 7 mei 2012.