Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De Koning en de kleinburgers

Prof. dr. J.Th.J. van den Berg, was hoogleraar parlementaire geschiedenis in Leiden en Maastricht en is fellow van het Montesquieu Instituut.

Kritiek op de constitutionele monarchie en op de koninklijke familie wordt door de bevolking in het algemeen niet gewaardeerd. Politieke partijen die zich als uitgesproken republikeins manifesteerden hebben daar nooit enige winst onder de kiezers aan ontleend. Kritiek leveren op het koningschap kostte eerst Fortuijn en later Wilders nogal wat aanhang in de opiniepeilingen. Die kritiek hebben zij en hun partijen dan ook haastig ingeslikt.

Er is blijkbaar maar één kwetsbaar punt: het geld. Als een partij of politicus kritiek levert op de kosten van het Koninklijk Huis, dan is zeker in de media de belangstelling gegarandeerd, maar ook een deel van de bevolking is er vatbaar voor. Wij respecteren het koningschap en de meesten onder ons vereren de koning en zijn familie, maar zij moeten zich in financieel opzicht sober gedragen. Wat de vereiste soberheid is, daarover verschillen dan weer de meningen.

Die kwetsbaarheid van het Koninklijk Huis voor de kosten  - onze kruideniersmentaliteit dus – is de strohalm voor politici en partijen die niet openlijk voor hun republikeinse gezindheid durven uitkomen. Die gaan dus periodiek zeuren over de belastingvrijdom van de koning, over de dure restauratie van Huis ten Bosch, over onderhoud van zeilschip de Groene Draeck en over de onderhouds- en restauratiekosten van de Gouden Koets.

De feiten

De uitkering aan de Koning bestaat uit twee delen. In de eerste plaats is dat het persoonlijk inkomen van hem en de andere leden van de familie die daar recht op hebben, de koningin en de voormalige koningin. De koning krijgt daartoe jaarlijks € 886.000 belastingvrij aan persoonlijk inkomen. De uitkering aan de koning bevat ook een ‘functioneel deel’ waaruit de kosten worden betaald voor het hofpersoneel en voor het onderhoud van paleizen en andere goederen die voor het uitoefenen van het ambt noodzakelijk zijn.

De paleizen zelf vallen er niet onder: die huurt de koning van het Rijksvastgoedbedrijf. De minister voor Wonen en Rijksdienst is dus huisbaas van de koning. Een aantal goederen vormt ’s Konings eigendom, maar dat geldt bij voorbeeld niet voor de Gouden Koets. Die mag de koning namelijk niet naar goeddunken verkopen. De koets is immers, samen met andere roerende goederen, ondergebracht in een ‘Stichting Kroongoederen’ die door de koning wordt beheerd. De kosten van  onderhoud daarvoor zitten in een post voor het materieel van in totaal €9,1 miljoen; daarmee moet ook het geld worden gereserveerd voor renovatie van de Gouden Koets zoals die nu plaatsvindt. Daarvoor zijn zover bekend geen extra uitgaven van het Rijk gevraagd.

Al dit soort van arrangementen zijn ondergebracht in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis, die in 2008 nog eens grondig is aangepakt. Vorig jaar heeft er onder leiding van topambtenaar Geert van Maanen nog een grondige evaluatie plaatsgehad van de uitvoering van deze wet. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van het advies van een commissie onder voorzitterschap van oud-minister Zalm die een paar jaar geleden vooral had gekeken naar uitgaven ten behoeve van de Kroon via andere begrotingen dan die van ‘hoofdstuk 1’ (dat specifiek over de Koning gaat). De commissie-Van Maanen kwam tot de conclusie dat de wet naar behoren functioneerde en dat de begroting van het Koninklijk Huis inzichtelijk in elkaar zat en de uitgaven voldoende transparant in beeld waren gebracht.

Alle reden tot tevredenheid

De Tweede Kamer heeft dus alle reden tot tevredenheid. Maar, zo werkt het blijkbaar niet.

Eerder was er al allerlei drukte over de beweerdelijk hoge kosten van de restauratie van Huis ten Bosch. Alsof koningin Beatrix persoonlijk nooit iets aan het paleis had willen laten doen. Het heeft inderdaad aan groot onderhoud ontbroken, maar dat is niet de koningin (niet meer dan huurster) te verwijten, maar het Rijksvastgoedbedrijf dat daar blijkbaar onvoldoende aan heeft gedaan. De restauratie van een zeventiende-eeuws paleis is per definitie kostbaar, daargelaten dat er een hoeveelheid asbest in het gebouw zit. Dat is de belangrijkste reden dat het voorlopig niet kan worden bewoond.

Het onderhoud van de Groene Draeck is de verantwoordelijkheid van de Koninklijke Marine. Dat dit zo’n dure business is geworden, is niet de koninklijke familie te verwijten maar diezelfde Marine, die haar werk blijkbaar niet goed heeft gedaan en bovendien veel te duur. Kennelijk zijn er allerlei kosten doorberekend die met het schip weinig te maken hebben. Dat daarop kritiek is ontstaan is te begrijpen, maar die moet wel juist worden geadresseerd.

Wat de Kamerleden wensen te weten over de restauratie van de Gouden Koets is helemaal onduidelijk. De kosten daarvan maken deel uit van de post materieel in het jaarlijkse inkomen van de Koning. Het is dus onduidelijk waar de Kamer zich mee bemoeit. Voor interventie zou pas reden zijn, als er ten behoeve van de restauratie onvoldoende zou zijn gereserveerd in de afgelopen jaren en extra uitgaven nodig zouden zijn. Daarvan is geen sprake. De enige reden kan zijn dat er aan een kant van de koets ‘foute voorstellingen uit het koloniale tijdperk’ zijn geschilderd. Die dreigen nu ook te worden gerestaureerd. Maar, dan zijn het niet de kosten die relevant zijn maar de vraag of de koets er na restauratie weer net zo uitziet als daarvoor. Dat is wel te hopen, want de koloniale tijd maakt onderdeel uit van ons aller geschiedenis. Die behoort niet te worden verdonkeremaand.

De vraag is dus wat de Kamerleden met hun bijzondere belangstelling bezielt. Formeel kunnen zij daarnaar vragen. Wat de koning met de Gouden Koets doet, valt onder het functionele deel van  het eerste begrotingshoofdstuk en dus onder de controlebevoegdheid van de volksvertegenwoordiging. Dat geldt te meer, omdat de Gouden Koets niet zijn persoonlijk eigendom is maar van de Stichting Kroongoederen. Meer in het algemeen bepaalt de Grondwet sedert 1983 in art. 41: ‘De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.’ Wat koning Willem-Alexander in verband daarmee doet is dus, indien zijn handelen het openbaar belang raakt, onderworpen aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Vraag is: raakt wat er met de Gouden Koets gebeurt een openbaar belang, of hoort dit tot de privésfeer van de koning, ook al is hij in persoon geen eigenaar maar beheerder?

Niet voor zijn lol in de koets

Voor de farizeeërs en schriftgeleerden in het parlement: het lot van de Gouden Koets kan strikt genomen worden gedefinieerd als een openbaar belang, gegeven het feit dat het niet om persoonlijk eigendom gaat en het gebruik ervan functioneel is voor de uitoefening van het koningschap. (Zover bekend, gaat de koning er niet voor zijn lol in uit rijden in Den Haag en omstreken. Zou ook niet gezond zijn, trouwens.) Op vragen naar de restauratiekosten ervan heeft de minister-president als eerstverantwoordelijke bewindsman dus te antwoorden. De vraag is natuurlijk: wie wordt daar gelukkig van? Met andere woorden, waarom zou iemand daarnaar moeten vragen? Maar ook, waarom maakt de premier er zo’n probleem van?

Zijn optreden moet iets te maken hebben met grote weerzin om daarover met de Kamer in discussie te gaan. Natuurlijk, transparantie is een hoerawoord: iedereen is er gek op. De premier heeft echter alle reden om te vrezen dat, als die kosten bekend zijn, door de Kamer en de kleinburgers daarbuiten over de ‘hoge kosten ervan’ zal worden doorgezeurd. Dat terwijl die kosten al lang zijn  ingecalculeerd.

Bovendien neemt de premier zijn taak om, waar mogelijk, koning en koningschap in bescherming te nemen waar zij kwetsbaar zijn serieus. De koning kan zich immers tegen kritiek en beschuldiging niet verdedigen, gelet op zijn grondwettelijke onschendbaarheid. Dat vergt dat de politieke elites om hem heen bescherming bieden tegen nodeloze kritiek en kleinburgerlijke cententellerij. Dat vergt dat ministers en Kamerleden hun scoringsdrift op andere onderwerpen richten dan het koningschap, vooral daar waar het kwetsbaar is. Dit inzicht zijn veel Kamerleden inmiddels kwijtgeraakt, helaas. Ook de koning ontkomt niet langer aan hun scoringsdrift.

Maar, tot op zekere hoogte geldt dit ook voor de premier. Die heeft nu immers de Raad van State om voorlichting gevraagd over de kwestie van de Gouden Koets, in plaats van te blijven bij zijn weigering om inlichtingen te geven. Dat zal ongetwijfeld wijze raad opleveren, maar het betekent tegelijkertijd dat de zaak van de Gouden Koets geruime tijd niet van tafel verdwijnt. Daar is de koning niet bepaald mee geholpen. 


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 29 maart 2016.