Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Burgerschap en burgerzin: de herleving van een oud idee

Wim de Jong is docent en onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is in 2014 gepromoveerd op een proefschrift over politieke opvoeding en ‘burgerschapsvorming’

Bij de presentatie van de verkiezingsprogramma’s was het opvallend hoe breed het belang van burgerschap gedeeld wordt. De PvdA wil ‘voortbouwen op de verworvenheden van de individualisering, maar meer nadruk leggen op het burgerschap in plaats van de consumentenrol’. Eerder stond GroenLinks-leider Jesse Klaver al te wapperen met de Acte van Verlatinghe (1569), om te wijzen op de noodzaak elkaar empathie bij te brengen. De VVD decreteert: ‘Nederlandse tradities, waarden en vrijheden dienen in het onderwijs te worden verankerd.’

In die aandacht voor burgerschap in het onderwijs bemerken we veel van de zorgen in deze tijden van maatschappelijk onbehagen. De consensus is dat onderwijs een oplossing moet bieden voor wat de verschillende partijen zien als bron van het probleem, of dat nu consumentisme, gebrek aan dialoog, of juist aan respect voor nationale waarden is.

Rechten en plichten van het Nederlanderschap

Het CDA is het meest directief: ze willen een sociale dienstplicht. Bovendien hebben ze een ander idee dat ons terugvoert naar de tijd van de wederopbouw. Het CDA wil ‘de traditie herstellen dat iedere Nederlander op zijn achttiende verjaardag of bij naturalisatie een boek krijgt uitgereikt met de rechten en plichten van het Nederlanderschap.’ Het verwijst hiermee naar het boekje Burgerschap en burgerzin, dat in 1949 werd geschreven door de latere VARA-omroepbaas Jan-Willem Rengelink, in opdracht van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).

Dit boekje zette aan de nieuwe kiesgerechtigden, toen nog met 23 jaar al bijna oudere jongeren, de rechten en plichten van de democratische burger uiteen. Het wees op de mogelijkheden om actief te zijn ten dienste van de gemeenschap, in buurtvereniging, woningbouwvereniging, vrouwenvereniging of oudercommissie. Een levende democratie had actieve burgers, geestelijke vrijheid, gelijkheid voor de wet, maar vooral ook verdraagzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel en gemeenschapszin nodig. ‘Wie niet meedijkt in nood, verbeurt zijn erf’, zo luidde een oud spreekwoord dat Rengelink aanhaalde om deze mentaliteit samen te vatten.

Burgerdagen

Burgerdagen in utrecht in de vijftiger jaren van de vorige eeuw
Het boekje werd uitgereikt op de ‘burgerdagen’, die in de jaren vijftig op 5 mei op veel plaatsen werden georganiseerd. In Utrecht zei het gemeentebestuur in 1949 te hebben gemerkt dat ‘hoewel de bezetting toch het tegenwoordig geslacht had bepaald bij de waarde van democratische rechten’, er na de bevrijding van veel politieke belangstelling bij jongeren weinig te bespeuren was. Burgemeester C. de Ranitz hield op de burgerdag een toespraak, na statig zaal Tivoli te zijn binnengetreden, vergezeld door de Commissaris van de Koningin, wethouders, gemeentesecretaris en de sprekers.

In 1956 gaven in Nijmegen wethouders, raadsleden en geestelijken acte de présence, evenals de kolonel van het plaatselijk garnizoen, dat werd geroemd vanwege het werk dat het bij het sneeuwruimen had verzet. Opvallend detail was dat bij de eerste burgerdag in Wateringen degenen die in Indonesië hadden gevochten dit diploma als eerste kregen uitgereikt.

Uiteindelijk was het einde van de burgerdagen en Burgerschap en burgerzin kenmerkend voor de jaren zestig. Een commissie van de VNG oordeelde in 1967 dat het boekje, waarvan er tot dan 500.000 waren uitgereikt, veel te belerend was, en liet een hippe jonge journalist een nieuw boekje maken, Kiezen en delen. Een kwestie van spel en tegenspel. De burgerdagen raakten op hun retour, wat hoogstwaarschijnlijk te maken had met de reuk van paternalisme waarin deze activiteiten kwamen te staan.

In Leeuwarden kreeg de burgerdag in 1967 het karakter van een teach-in. Er was een sympathisant van provo aanwezig, die vond dat in een democratie de overheid de dienaar van het volk moest zijn en premier Zijlstra dus ‘ergens helemaal onderaan’ stond. Hij zag geen jongerenprobleem maar een ouderenprobleem, omdat de ouderen niet regelrecht in opstand kwamen tegen de autoritaire structuren.

Hoognodig burgerschap

Lange tijd was zelfs het woord ‘burgerschap’ al taboe. Pas in de jaren negentig werd het opnieuw naar voren gebracht. In de paarse tijd sneeuwde burgerschap echter nog onder in een vrij algemene jubelstemming en vrijzinnig politiek klimaat. Sinds de eeuwwisseling is echter bij regeringen overal in West-Europa de gedachte weer dominant geworden dat onderwijs in burgerschap hoognodig is, met het oog op toenemende apathie onder jongeren en zorgen over rechts-extremisme enerzijds, en vanuit een herlevend nationalisme anderzijds - zie de VVD. Onderwijs is een van de weinige zaken waarmee politici menen maatschappelijke processen te kunnen sturen, hetgeen zeker in ons bestel van vrij onderwijs beperkter kan dan elders.

Zijn we daarmee terug bij de jaren vijftig? Zeker is dat we aan een revival bezig zijn van allerlei ideeën die jarenlang als bevoogdend zijn weggezet. Een burgerdag met hoogwaardigheidsbekleders is vandaag de dag misschien ondenkbaar, maar een dergelijk evenement zou best aan een herwaardering toe kunnen zijn - inburgeren is niet alleen iets voor nieuwkomers. Al gaandeweg de jaren vijftig kreeg men overigens door dat er meer mensen kwamen als je jongeren zelf aan het woord liet - een tip voor de nieuwe volksopvoeders bij het CDA.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 30 januari 2017.