Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Wordt ouderdom nog gewaardeerd in de politiek?

Niet alleen van alle Nederlanders stijgt de gemiddelde leeftijd en de levensverwachting, dat geldt ook voor die van (oud-)politici. Op 6 januari overleed oud-minister Gerard Helders op 107-jarige leeftijd. Van alle Kamerleden en bewindslieden hebben vier de honderd jaar gehaald. Naast Helders waren dat eerder Drees en Van der Goes van Naters. Nog levend en meelevend met de politiek is oud-CHU/CDA-senator Johan van Hulst, die inmiddels 101 jaar is.

Van Hulst schaakt niet alleen nog altijd, hij schreef vorig jaar een zeer lezenswaardig portret voor het Jaarboek parlementaire geschiedenis (CPG-uitgave) over zijn oud-collegasenator Bertus de Rijk. Tot de zeer ouderen behoort ook de 97-jarige oud-premier Piet de Jong. Hij is nog vrijwel altijd aanwezig als boeken worden gepresenteerd op parlementair-historisch gebied.

Als we naar het parlement zelf kijken dan is die hogere levensverwachting veel minder een factor van betekenis. De komst van 50PLUS doet vermoeden dat ouderen daarmee meer toegang hebben gekregen tot het Kamerwerk, maar dat is (vooralsnog) niet het geval. Henk Krol is 62 jaar en zijn college Norbert Klein 56, terwijl senator Jan Nagel 73 jaar is.

Toen in de jaren negentig van de vorige eeuw ouderenpartijen hun intrede deden, kwamen er wel enkele senioren in het parlement. De bekendste van hen was senator Martin Batenburg, oprichter van het AOV, die op 76-jarige leeftijd senator werd. In de Tweede Kamer zat vier jaar namens de Unie55 Bertus Leerkens, die toen met 71 jaar ook de doyen d'age was.

Als we kijken naar de komst van ouderen in het parlement dan valt juist op, dat zij slechts heel sporadisch toetreden. Namens het CDA kwamen begin deze eeuw als nieuwkomer de 67-jarige Niny van Oerle. Zij leidde enige tijd de themacommissie ouderenbeleid.

In een verder verleden waren tachtigplussers in de Kamer niet ongebruikelijk. In 1963 zaten in de Tweede Kamer de katholieke dissident Charles Welter (83 jaar), de veteranen Hendrik Tilanus (78 jaar) en Pieter Oud (76 jaar) en verder oudere leden als Van Dis (77 jaar) en Ritmeester (79 jaar). In 1961 was SGP-voorman Pieter Zandt op bijna 81-jarige leeftijd overleden.

Nog verder terug in de geschiedenis was de rol die CHU-voorman jhr. De Savornin Lohman speelde opvallend. Hij bleef tot zijn 83e lid van de Tweede Kamer, maar was nadien nog een belangrijk adviseur bij kabinetsformaties. In de negentiende eeuw bereikten leden als Lieftinck (82 jaar) Van der Schrieck (83 jaar) en baron De Bieberstein (84 jaar) als Kamerlid een zeer hoge leeftijd.

Het alleroudste zittende Kamerlid was Graaf Van Wassenaer van Starrenburg. Hij bereikte als senator in 1833 de leeftijd van 88 jaar. Of hij toen nog erg 'actief' was als Eerste Kamerlid is overigens niet aannemelijk.

Ook nieuwkomers waren soms al tamelijk op leeftijd. Zo werd in 1898 de Tilburgse burgemeester J.F. Jansen op 74-jarige leeftijd Tweede Kamerlid, waarmee hij direct het oudste lid was. Kamerleden die bij hun aantreden ouder waren dan 65 jaar zijn sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zeldzaam. Opvallend was dat de LPF drie 65-plussers telde: Ferry Hoogendijk, Jim Janssen van Raaij en Jan van Ruiten. Bij de PvdA was Wouter Gortzak (67 jaar) in 1994 de laatste 'senior'. Els Borst (D66) was met 66 jaar de oudste lijsttrekker.

De bij zijn aantreden oudste minister uit de parlementaire geschiedenis was J.C. van Oven, die in het laatste jaar van het kabinet-Drees III de overleden minister Donker verving. Recentelijk waren Ben Bot en Ivo Opstelten met 66 jaar relatief oude ministers.

Voor onze tijd geldt dat we steeds ouder worden en langer actief blijven. In politieke functies zie je dat echter vrijwel niet terug. Zeker 'gevestigde' politieke partijen ruimen vrijwel geen plek in voor 65-plussers. Laat staan dat iemand die de zeventig is gepasseerd nog aan bod komt.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 januari 2013.