Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Miezerige mannetjes zoeken het maar uit?

 Wytze van der Woude, verbonden aan het Montesquieu Instiuut

In het verleden heb ik mij wel eens afgevraagd wat het nut is van Algemene Politieke Beschouwingen. Oppositiefracties in de Tweede Kamer nemen de gelegenheid te baat om het eigen verkiezingsprogramma nog eens naast de politieke actualiteit te leggen en op basis daarvan het kabinet te bevragen. Coalitiefracties doen in beginsel hetzelfde, maar worden door de oppositie ruimschoots en soms met lichte tegenzin in de gelegenheid gesteld uit te leggen waarom zij op bepaalde punten van hun uitgangspunten en verkiezingsprogramma’s zijn afgeweken.

Dat levert dan doorgaans een betrekkelijk voorspelbaar debat op met functionele boosheid van de één en al dan niet gespeelde verbazing daarover bij de ander. Daarna gaat men de wandelgangen in, worden er Algemene Financiële Beschouwingen gehouden, volgen de besprekingen van de verschillende deelbegrotingen en worden er wat puntjes op de i gezet. Als dat betekent dat de echte knopen later worden doorgehakt – zo redeneerde ik vroeger – wat heeft het dan eigenlijk voor zin om een tweedaags preliminair en algemeen debat te organiseren? Zoiets zou toch ook moeten kunnen worden opgelost met een verruiming van de zendtijd voor politieke partijen?

Maar nu, nu zou alles anders zijn. De crisis, de politieke verhoudingen in de Eerste Kamer en de zomerlange speculaties over tussenformaties, geformaliseerde gedoogsteun en de irritatie over het ontstaan dan wel uitblijven daarvan, zouden dit debat tot de spannendste en meest inhoudelijke Algemene Politieke Beschouwingen van de recente geschiedenis kunnen maken.

Het begon in ieder geval met vuurwerk. Een motie van wantrouwen in eerste termijn en een direct daarop volgende stemming zetten de toon. Een toon overigens, waarvan je je kunt afvragen of daar niet wat harder tegen had mogen worden opgetreden. Het dilemma van een Kamervoorzitter is natuurlijk dat ingrijpen wellicht onnodig veel aandacht voor dergelijke incidenten genereert, maar je verliest als Kamer je morele gezag als je toestaat elkaar aan te duiden als ‘miezerige mannetjes’. In het debat over de ‘verhuftering’ van de samenleving, lijkt het gedrag van onze volksvertegenwoordigers (met inbegrip van het wegkijken daarvan door de overgrote meerderheid die zich stilhield) in ieder geval een weinig verheffend kompas te bieden.

Dergelijke abberraties maar even latend voor wat ze zijn en het debat verder op de inhoud beschouwend, bekroop mij bij de editie van deze jaargang opvallend genoeg alleen maar meer het gevoel: waar is dit eigenlijk goed voor?

Dit werd in de hand gewerkt door het beeld dat verschillende partijen verschillende opvattingen leken te hebben over wat de functie van Algemene Politieke Beschouwingen eigenlijk is. Afgaand op de naam zouden deze moeten voldoen aan drie voorwaarden:

  • 1. 
    ze zijn algemeen;
  • 2. 
    ze zijn politiek;
  • 3. 
    ze zijn beschouwend.

Coalitiefracties en kabinet waren opvallend algemeen, misschien wel te algemeen, want het kan de oppositiefracties worden nagegeven dat uit de bijdragen van de coalitie wel erg weinig concreets viel te destilleren. Wat de oppositie daartegenover zette voldeed echter ook niet altijd aan de algemeenheidsnorm: kazernes in het Noorden van het land, €12 miljoen minder bezuinigingen voor de AIVD en wel erg specifieke voorstellen voor de kinderopvang zijn allemaal belangrijk, maar een grote mate van algemeenheid kan niet worden verondersteld. Ik vraag mij in gemoede af hoe mensen die niet werkzaam zijn bij defensie, de geheime diensten of in de kinderopvang hiernaar hebben zitten kijken: zijn hun zorgen minder belangrijk? Dit waren toch bij uitstek onderwerpen voor de afzonderlijke deelbegrotingen?

Het politieke gehalte was er natuurlijk wel. Opvallend is wel dat het politieke gehalte van het debat in de Tweede Kamer werd verhypothekeerd door besluiten die buiten de Tweede Kamer zijn omgegaan. De opgelegde begrotingsnorm en de gesloten maatschappelijke akkoorden zijn daar terechte voorbeelden van. Politici die daarvan een punt maken, moeten zich echter wel realiseren dat zij min of meer hetzelfde doen als zij mogelijke besluitvorming in de Eerste Kamer als hypotheek leggen op de beraadslaging in de Tweede Kamer. Het uithollen van het politieke primaat van de Tweede Kamer komt dan van twee kanten.

Ook het beschouwende karakter van deze editie was soms ver te zoeken: zowel van coalitie- als oppositiezijde. Ook in de term beschouwingen zit iets van algemeenheid besloten, maar het vergt op zijn minst een uitwisseling van bepaalde visies die verder gaat dan alleen een erkenning van zowel de economische als de politieke situatie. Het dreigende onheil in de Eerste Kamer hebben de beschouwingen in haar zusterkamer gedegradeerd tot een opzichtige (poging tot) onderhandeling. De welwillendheid die het kabinet wilde uitstralen is begrijpelijk, maar wat ontbreekt is een duidelijk vooruitzicht op het mogelijke eindresultaat van de uitgestoken handen en luisterende oren. Dat werd natuurlijk ook in de hand gewerkt door de oppositiepartijen die de regering weliswaar vanuit hun algemene beschouwing op de samenleving tot concessies probeerden te dwingen, maar in hun ijver deze concessies te onttrekken verdween het algemeen beschouwende karakter naar achtergrond en de onderhandeling op de voorgrond. En laten we wel wezen: iedereen weet dat onderhandelingen niet in de volle spotlights kunnen worden gevoerd.

Als er mensen zijn die na het kijken van deze editie tot de conclusie zijn gekomen dat Kamer en kabinet op pijnlijke wijze een brevet van onvermogen hebben afgegeven, dan is dat misschien een wat hard oordeel, gelet op de vele tijd en moeite die betrokkenen er in hebben gestoken. Maar het is nu ook weer geen conclusie waartoe je in redelijkheid niet zou kunnen komen.

Per saldo: de minister van Financiën gaat nog eens praten en de Financiële Beschouwingen worden uitgesteld. Als gelet daarop iets een uitkomst is van de editie van dit jaar, dan is het dat niet alleen de puntjes nog op de i moeten worden gezet, maar dat nog boven de markt hangt welke letter we überhaupt met elkaar aan het papier willen vertrouwen. Moeten we daarvoor twee dagen kostbare vergadertijd in de Tweede Kamer opofferen?