Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Blokkerende Senaat

Als de invloed van de Eerste Kamer op wetgeving wordt geanalyseerd, wordt vaak hoofdzakelijk gekeken naar door die Kamer verworpen wetsvoorstellen. Minstens zo belangrijk zijn wetsvoorstellen die op zoveel verzet stuitten in de Senaat, dat het kabinet tot de conclusie kwam dat ze beter konden worden ingetrokken. In een enkel geval werd een aangepast voorstel later alsnog aangenomen.

Overigens kwam intrekking vanwege ernstige bezwaren in de Senaat, net als verwerping van wetsvoorstellen, in totaliteit vrij weinig voor.

Inhoud

1.

Afstel

Huurwaardeforfait

In januari 1990 ontstonden er problemen rond het wetsvoorstel tot verhoging van het huurwaardeforfait en verlaging van de overdrachtsbelasting. Dit wetsvoorstel was een direct gevolg van afspraken in het regeerakkoord van het pas opgetreden derde kabinet-Lubbers. Met het wetsvoorstel, zo meende het kabinet, zou mede een bijdrage kunnen worden geleverd aan terugdringing van de mobiliteit. Verhuizen werd immers aantrekkelijker, waardoor mensen eerder geneigd zouden zijn dichter bij hun werk te gaan wonen.

Tijdens de schriftelijke behandeling in de Eerste Kamer kwam er ernstige kritiek van de zijde van CDA, VVD en D66. CDA en VVD bestreden dat het wetsvoorstel positieve milieu-effecten zou hebben. Hun bezwaren werden tijdens de plenaire behandeling herhaald.

De geringe steun noopte staatssecretaris Enneüs Heerma het wetsvoorstel nog voor de plenaire behandeling in te trekken.

Eems-Dollardverdrag

Bezwaren van de kant van milieu- en natuurbescherming tegen het in 1984 met de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Eems-Dollardverdrag leidde in 1991 tot intrekking van het goedkeuringsvoorstel, dat toen al geruime tijd bij de Eerste Kamer lag.

Het verdrag moest het voor Duitsland mogelijk maken een nieuwe Dollardhaven aan te leggen en de loop van de Eems te verleggen. In de Tweede Kamer was het wetsvoorstel aangenomen met steun van VVD, SGP, GPV en CDA. Laatstgenoemde partij was hoofdzakelijk akkoord gegaan met het oog op ‘het goede nabuurschap’.

In de Eerste Kamer toonde de CDA-fractie zich echter zowel in het voorlopig als in het nader voorlopig verslag uiterst kritisch. Deze opstelling leidde uiteindelijk - ondanks druk van Duitse zijde op de Nederlandse regering - na vier jaar tot intrekking.

Recht voor inschrijving van een notariële akte in het centraal testamentenregister

In februari 1993 kwam het derde kabinet-Lubbers met een wetsvoorstel om het tarief voor een inschrijving in het centraal testamentenregister aanzienlijk te verhogen (van f 18,- naar f 100,-). De opbrengst daarvan zou ten goede komen aan de criminaliteitsbestrijding. De Tweede Kamer nam het voorstel op 1 juni 1993 aan, waarbij VVD, D66, GPV en SGP tegen stemden.

Toen in december 1993 bleek dat er geen meerderheid in de Eerste Kamer was voor dit voorstel, hield minister Ernst Hirsch Ballin de stemming aan. Een onderzoek naar de kosten van het register toonde aan dat het geldende tarief kostendekkend was. Het gat op de begroting dat ontstond door de verhoging werd door andere maatregelen gedicht. Het wetsvoorstel werd in december 1996 ingetrokken.

Wet onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden

In maart 1993 trok het derde kabinet-Lubbers een wetsvoorstel in over het verrichten van onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden. Het eerste kabinet-Lubbers diende in mei 1986 een wetsvoorstel in om tijdelijk het doen van vrijwilligerswerk met behoud van een uitkering eenvoudiger te maken. Met name de hoge (jeugd)werkloosheid maakte volgens het kabinet zo'n regeling wenselijk. De Tweede Kamer nam het voorstel op 3 november 1987 aan.

Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer in oktober 1988 bleken daar echter ernstige bezwaren te bestaan. Zo werd gevreesd dat reguliere betaalde arbeid daarmee verdrongen zou worden. Ruim vier jaar later werd het voorstel ingetrokken

Interimwet provincie Rotterdam

Op 2 september 1997 nam de Tweede Kamer met de stemmen van SGP, GPV, RPF, GroenLinks en CD tegen, een wetsvoorstel aan om op termijn te komen tot een stadsprovincie Rotterdam. Bij de schriftelijke behandeling in de Eerste Kamer bleek er vele bezwaren te bestaan. De VVD-fractie wees op het ontbrekende draagvlak, het CDA sprak van een onomkeerbare stap in een proces waarover nog vele onduidelijkheden bestonden. Andere fracties toonden zich eveneens kritisch.

Op 20 januari 1998 besloot de Eerste Kamer het wetsvoorstel vooralsnog niet te behandelen. Een jaar later, na dat het tweede kabinet-Kok was aangetreden, trok minister Bram Peper het wetsvoorstel in. De plannen voor stadsprovincies verdwenen van tafel.

2.

Uitstel, maar geen afstel

Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen

In december 1983 nam de Tweede Kamer met algemene stemmen het in 1971 ingediende wetsvoorstel Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen aan.

De Eerste Kamercommissie die de behandeling in de Senaat voorbereidde, bracht in november 1984 een zeer kritisch voorlopig verslag uit. Het betrof onder meer de reikwijdte van de wet, de procedure voor spoedopneming en de mogelijkheid tot beroep bij het gerechtshof te Arnhem. De regering zelf vreesde bij nader inzien ook dat de wet door de beroepsmogelijkheid tot een hogere werkdruk voor de rechterlijke macht zou leiden.

Op die gronden kwam het kabinet-Lubbers II in juli 1989 een novelle over onder meer de duur van de machtigingen voor opname in een inrichting, over het vervallen van de beroepsmogelijkheid en om tot een andere regeling voor schadeloosstelling te komen. Ook werden diverse vereenvoudigingen voorgesteld. Tijdens het kabinet-Lubbers III vond een uitgebreide behandeling in de Tweede Kamer plaats, waarbij opnieuw de nodige amendementen werden voorgesteld.

De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel (de novelle) in september 1992 aan. Een maand later deed de Eerste Kamer het zelfde. Tegelijkertijd werd toen ook het oorspronkelijk - inmiddels sterk gewijzigde voorstel - aanvaard. In totaal had de behandeling van het wetsvoorstel daarmee ruim twintig jaar geduurd.

Algemene Nabestaandenwet

Op 25 juni 1992 nam de Tweede Kamer een door het derde kabinet-Lubbers verdedigd wetsvoorstel aan waarbij de Algemene Weduwen- en Wezenwet werd vervangen door een Algemene Nabestaandenwet. Tegen het wetsvoorstel waren de fracties van D66, GroenLinks, RPF, SGP en CD.

Het in maart 1991 door staatssecretaris Elske ter Veld ingediende wetsvoorstel had enerzijds tot doel aanzienlijk te bezuinigen op de weduwen- en wezenuitkeringen en moest anderzijds de economische zelfstandigheid van vrouwen en meisjes bevorderen. Zij moesten worden gestimuleerd om te gaan werken.

Tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer op 24 november en 1 december 1992 waren vrijwel alle fracties kritisch tot zeer kritisch. Dat gold niet alleen voor de fracties die in de Tweede Kamer tegen waren geweest, maar evenzeer voor bijvoorbeeld CDA en PvdA. Er werden grote vraagtekens gezet bij de mogelijkheid voor vrouwen van 40 jaar en ouder om nog een plaats op de arbeidsmarkt te vinden. Verder was er kritiek op het deels ontbreken van goed overgangsrecht.

Tot beantwoording in tweede termijn door de staatssecretaris kwam het niet meer. Per brief kondigde zij een wijziging van haar voorstel aan en op 8 december vroeg zij om schorsing van het debat. De staatssecretaris stelde echter dat er een patstelling leek te ontstaan, omdat hoogst onzeker was of er in de Tweede Kamer steun zou zijn voor de door de Eerste Kamer gewenste veranderingen. Tot intrekking van haar wetsvoorstel was zij niet bereid.

In juni 1995 besloot staatssecretaris Robin Linschoten alsnog tot intrekking, nadat hij een maand eerder een nieuw wetsvoorstel had ingediend. De positie van oudere weduwen was zo geregeld dat aan de verlangens van de Eerste Kamer tegemoet was gekomen.

Hoewel ook dit voorstel door een deel van het parlement kritisch werd ontvangen, lukte het staatssecretaris Robin Linschoten nog dat jaar in het Staatsblad te brengen. In de Eerste Kamer stemden 41 leden voor en 33 tegen. De gehele oppositie (CDA, GroenLinks, SGP, RPF, GPV, AOV en PSF) was tegen en ook PvdA-lid Ria Jaarsma schaarde zich onder de tegenstemmers. Een jaar later kwam er een wetje tot stand waarbij de nieuwe wet nog enigszins werd aangepast.

Herindeling Twente

In 1999 nam de Tweede Kamer met alleen steun van PvdA en VVD het wetsvoorstel Gemeentelijke herindeling van Twente aan. Onderdeel van dat voorstel was de samenvoeging van Enschede, Hengelo en Borne tot Twentestad.

In de Eerste Kamer bleek tijdens de schriftelijke voorbereiding van de behandeling dat het voorstel niet op een meerderheid in de Eerste Kamer kon rekenen (VVD en PvdA hadden samen geen meerderheid). Op 10 mei 2000 trok minister Klaas de Vries het voorstel daarom in. Hij diende kort daarop een nieuw voorstel in, zonder de omstreden vorming van Twentestad.

Dat voorstel werd in beide Kamers aangenomen. In de Eerste Kamer gebeurde dat overigens met alleen steun van de coalitiepartijen (PvdA, VVD en D66). De stemverhouding was 35 tegen 34 stemmen.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 oktober 2013.