Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De carrousel draait alvast warm

Wytze van der Woude is docent staatsrecht aan de Universiteit Maastricht.

Uiteraard is de derde week van mei een spannende voor de vele honderden kandidaat-leden van het Europees Parlement. In het totaal worden hiervoor 751 leden gekozen uit 28 landen. In rechtstreeks verband met deze verkiezingen staat de bemensing van de Europese Commissie wier zittingstermijn gekoppeld is aan die van het Parlement. De benoeming van Commissie begint overigens niet bij het Parlement, maar bij de Europese Raad (van regeringsleiders en staatshoofden). Deze Raad draagt een kandidaat-commissievoorzitter voor, die vervolgens door het Europees Parlement moet worden ‘gekozen’. De keuze voor het parlement bestaat uit niet meer dan een simpel “ja” of “nee” ten aanzien van de voorgedragen kandidaat, waarbij het gevolg van een “ja” is dat de gekozen voorzitter samen met de Europese raad tot een voordracht voor de overige commissieleden komt. Het gevolg van een “nee” is dat de Europese Raad binnen een maand met een nieuwe kandidaat op de proppen moet komen. Om een dergelijk “nee” en de daarmee gepaard gaande stagnatie en mogelijke reputatieschade te voorkomen, bepaalt het Verdrag betreffende de Europese Unie dat de Europese Raad bij zijn voordracht ‘rekening houdt met’ de uitslag van de EP-verkiezingen.

De clausule van het ‘rekening houden met’ heeft een aantal grote Europese partijen ertoe gebracht alvast een kandidaat-voorzitter naar voren te schuiven (de Duitse sociaaldemocraat Schulz), de ‘groene’ Bove uit Frankrijk, de Belgische liberaal Verhofstadt en Luxemburgse christendemocraat Juncker). De gedachte hierachter is in zoverre logisch dat hiermee getracht wordt een voldragen parlementair stelsel te introduceren tussen de twee organen van de Europese Unie die in het leven zijn geroepen om daadwerkelijk supranationaal zijn. De leden van commissie worden geacht onafhankelijk te opereren ten opzichte van de lidstaat waar zij vandaan komen (of van andere lidstaten) en het ligt ook om die reden voor de hand dat de eveneens op een meer pan-europees gerichte partijen in het Europees Parlement daarbij het voortouw nemen. Vanuit die optiek past een bescheidener rol voor de leden van de meer op intergouvernementele leest geschoeide Europese Raad waarin vooral (of in ieder geval: mede) nationale belangen worden verdedigd.

Op papier mag dit er logisch uitzien, bedacht moet echter wel worden dat er een sterk intergouvernementele onderstroom waarneembaar is in de manier waarop ook het Europese Parlement en de Europese Commissie bemenst worden. Zo geldt nog steeds dat leden van het Europees Parlement worden gekozen op basis van verkiezingen waarbij per lidstaat een vastgesteld aantal zetels valt te verdelen en geldt voor de Commissie dat elke lidstaat daarvoor één Commissaris mag leveren (waaronder de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken). Dit laatste is zelfs een uitzondering op de hoofdregel van het Verdrag betreffende de Europese Unie dat juist vanaf 2014 beoogde te voorzien in een verkleining van het aantal Commissarissen tot twee derden van het aantal lidstaten. Deze uitzondering is mogelijk gemaakt door de Europese Raad die unaniem besloot dat het verstandiger was elke lidstaat een ‘eigen’ Eurocommissaris te gunnen.

Uiteraard heeft dit te maken met de vanuit intergouvernementeel perspectief gewenste spreiding van Europese topfuncties over verschillende landen. Gelet op de moeite die velen nu al lijken te ervaren met het plaatsen van herkenbare gezichten op de Europese samenwerking, lijkt een dergelijke spreiding bovendien alleen al vanwege beeldvorming verstandig. Immers, alle inspanningen van de lijsttrekkers bij Europese verkiezingen ten spijt, het belangrijkste ‘Europese gezicht’ van Nederland is toch dat van Neelie Kroes. Een dergelijk gezicht zou dreigen te verdwijnen als een vaste plaats in de Commissie niet langer kan worden gegarandeerd.

Voor veel lidstaten – Nederland voorop – is de garantie van die plaats overigens niet voldoende. De Europese portefeuille moet bovendien een ‘zware’ zijn. Het is om deze reden dat veel regeringsleiders en staatshoofden niet staan te springen om de kandidatuur van de hierboven genoemde personen te omhelzen. Er wordt namelijk een zware hypotheek gelegd op de draaimolen van Europese topfuncties als het belangrijkste paardje op voorhand wordt vergeven aan één van de vier Noordwest-Europese lidstaten (en dan met name Duitsland en Luxemburg) waaruit de kandidaten afkomstig zijn. Andere zware posten (zoals Mededinging, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken, Economische Zaken en monetair beleid of Interne markt) zullen in dat geval geografisch verstandig moeten worden gespreid. Die puzzel is echter moeilijk te leggen, omdat ook landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk niet snel bereid zullen worden gevonden hun huidige zware posities in te leveren (de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken respectievelijk de commissaris voor de Interne Markt).

Het is maar goed – en in dit licht niet toevallig – dat de tweede en laatste termijn van de voorzitter van de Europese Raad (Herman van Rompuy) eveneens eindigt in 2014. Als er naast het Duits-Luxemburgs-Frans-Britse geweld om Europese topfuncties ook nog een Belg in het zadel had moeten worden gehouden, was elke vorm van geografische spreiding van topfuncties vrijwel onmogelijk geworden. Hoewel het Europees Parlement geen enkele stem heeft in diens benoeming en de Europese verkiezingen hierop dus in beginsel niet van invloed zijn, kan de Europese Raad hierdoor de zware post van zijn voorzitterschap betrekken in de aankomende portefeuilleverdeling.

Het is uiteraard maar de vraag of dit voldoende is. Het is goed denkbaar dat de Europese Raad bij een enigszins ambigue verkiezingsuitslag alsnog zal proberen onder de vier voorgedragen kandidaten uit te komen. Anders zit er weinig anders op het naderende kwartetten uit te breiden met een aantal kaarten die voorlopig nog niet in het spel betrokken waren. Zo zouden enkele Zuid-Europese landen hun blik al hebben laten vallen op het voorzitterschap van de Eurogroep. Het probleem dat diens termijn dit jaar nog niet afloopt zou kunnen worden opgelost met de constructie van een permanente voorzitter, die daarnaast niet ook minister van Financiën in zijn of haar eigen lidstaat is. Jeroen Dijsselbloem leek zich dit te realiseren, toen hij in het NRC Handelsblad aangaf rekening te houden met een vroegtijdig vertrek.

Deze bijdrage verscheen in 'De Hofvijver' nr. 42, d.d. 19 mei 2014.