Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Vier wegen uit de crisis. Nederlandse partijen over de Europese crisis.

"Het Europees Parlement moet niet meer vergaderen in Straatsburg." Dat lijkt wel het enige standpunt over Europa dat de Nederlandse verkiezingsdebatten bereikt. En dat terwijl de Europa op een cruciaal punt in haar geschiedenis staat.

Nederlandse partijen schrijven lange verkiezingsprogramma's. De gedetailleerde partijprogramma's zijn eigenlijk een curiositeit. Na 22 mei verdwijnen ze onder in een la als Nederlandse partijen zich aansluiten bij Europese fracties. De zesentwintig Europarlementariërs worden deel van Europese fracties, die vrij gedisciplineerd opereren. De Nederlandse programma's kunnen dan niet leidend zijn voor hun optreden. Toch zijn deze programma's interessant: ze reflecteren namelijk een politieke ideologie. Deze ideologie wordt gedeeld door de Europese fracties waar de  Europarlementariërs lid van worden.

De laatste vijf jaar is de Europese Unie radicaal veranderd. In reactie op de banken-, economische en begrotingsunie heeft de Europese Unie een groot hervormingstraject ingezet. De Europese Unie houdt nu actief toezicht op de begrotingen van lidstaten, want eerder bleken landen als Griekenland niet in staat om hun schulden te betalen. De Europese Unie gaat een bankenunie opzetten zodat landen, zoals Ierland eerder, niet onderuit hoeven te gaan om banken te redden. Ondertussen is werkgelegenheid een groot probleem: in Spanje is de jeugdwerkloosheid opgelopen tot meer dan 50%.

Hoe reageren politieke partijen op deze veranderingen? Welke wegen zien zij uit de Europese economische crisis? Er zijn verschillende manieren waarop de Nederlandse partijen kijken naar de problemen in Europa en de oplossingen die de Europese instellingen bieden. Er zijn ongeveer vier oplossingsrichtingen waarin partijen denken.

1.

 Meer Europa, meer markt

Drie partijen steunen de oplossingen die Europese Commissie heeft gekozen om de economische crisis aan te pakken en de euro te handhaven: CDA, VVD en D66. Zij steunen de begrotingsunie, inclusief de 3% begrotingsnorm. De Europese Unie moet meer te zeggen krijgen, zoals het CDA schrijft: "Europa handelt niet snel genoeg, lost de eurocrisis niet op, blijft steken in compromissen. (...). De EU mist bevoegdheden om deze zaken af te dwingen".

De partijen hechten aan het vervoltooien van de interne markt en in het bijzonder op het digitale vlak. Ze zien de interne markt als banenmotor voor Nederland, zoals de VVD schreef ""Voor de VVD is de Europese Unie van cruciaal belang voor het bevorderen van economische groei en het scheppen van banen".

Alle drie de partijen spreken zich uit voor de bankenunie, zij het dat het CDA en de VVD de voorwaarde stellen dat de bankensectoren wel gezond zijn voor dat landen samen financieel worden voor slechte banken.

Er zijn wel verschillen tussen deze drie partijen. Bijvoorbeeld D66 spreekt het sterkst uit voor sterkere Europese integratie. Zo zijn de Democraten voorstander van een Europese belasting, namelijk een Europese BTW die nationale bijdragen aan de EU moet vervangen. De VVD spreekt zich hier expliciet tegen uit. Het CDA zwijgt. Ook is D66 voorstander van gezamenlijke Europese obligaties; lidstaten delen zo hun staatsschulden. Het CDA en de VVD zijn hier expliciet tegen.

Waar het gaat om de verzorgingsstaat wil D66 Nederlandse sociale wetgeving aanpassen aan het vrije verkeer van personen. Het CDA wil de verzorgingsstaat juist beschermen tegen onrechtvaardig beroep door vrij verkeer. De VVD wil dat sociale zekerheid een nationale aangelegenheid blijft.

2.

 Minder Europa en minder markt

Recht tegenover de liberalen en Christen-democraten staan de partijen die zich uitspreken tegen "dít Europa" dat gedomineerd wordt door marktdenken. Dit zijn de SP en de PvdD.

Beide partijen spreken hun twijfels uit over de toekomst van de Euro en roepen op na te denken over alternatieven: dat sommige landen de eurozone zouden verlaten. De SP spreekt zich uit tegen de begrotingsunie waarbij de Europese Commissie toezicht houdt over de nationale begrotingen: "[d]e huidige crisis wordt misbruikt om versneld te komen tot een Europese federatie, waar lidstaten steeds meer ondergeschikt worden gemaakt aan de wensen van Brussel."

De SP ziet niets in de 3% norm die een maximum stelt aan de grootte van het begrotingstekort. Ook trekt de partij van leer tegen de bankenunie die nu in ontwikkeling is en tegen de mogelijkheid van Europese obligaties. De PvdD richt zich met name op de focus van de Europese Commissie: landen zouden niet alleen hun financiële tekort moeten beperken maar ook hun ecologische tekort. In plaats van op economische factoren moet de Europese Unie ook sturen op ecologische factoren.

De SP en de PvdD spreken zich allebei uit voor grenzen aan de vrije markt. Ze willen geen gedwongen liberalisering in andere sectoren. Ze willen juist regels stellen om de vrije markt te beperken: de PvdD wil een Europees minimumloon en wil een Europese belasting op speculatie; en de SP wil een Europese minimumniveau van de vennootschapsbelasting en benadrukken dat er al een Europees Sociaal Handvest is dat sociale rechten zou moeten verzekeren maar onvoldoende wordt nageleefd.

De partijen bieden ook allebei hun eigen oplossingen voor de werkloosheid. De SP wil dat de ECB niet alleen maar probeert om de inflatie zo laag mogelijk te houden, maar ook oog heeft voor werkgelegenheid. De PvdD wil juist dat lidstaten hun belastingen op arbeid verlagen en hun belastingen op milieuvervuiling verhogen. De PvdD benadrukt dat haar "Groene eurokritiek een nieuw fenomeen [is] dat niet voortkomt uit nationalisme of eigenbelang, maar uit het algemene belang van duurzaamheid en mededogen", maar het heeft juist opvallende gelijkenissen met de politiek van de SP die de "menselijke maat" centraal wil stellen in plaats van het "financiële kapitalisme".

3.

 Minder Europa maar wel de markt

Drie partijen zijn tegen verdere Europese integratie maar willen juist de vrije markt in stand laten: de PVV, CU/SGP en 50Plus.

De PVV gaat het verst: "Uit de EU, uit de euro". De Europese Unie moet geen begrotingsregels opleggen aan lidstaten. Nederland moet wel de voordelen van de vrije markt houden door te blijven handelen met de Europese Unie. Het losmaken uit de Europese Unie zou welvaart opleveren en door belastingverlaging zouden er ook meer banen komen.

De ChristenUnie/SGP hebben een heldere rechts-Eurokritische positie. In hun ogen wordt de Europese Unie gekenmerkt door "politieke hoogmoed". De twee partijen zijn voorstander van het onderzoeken van de mogelijkheid dat landen de eurozone zouden kunnen verlaten en hun eigen nationale munt weer zouden kunnen gebruiken. Ze spreken zich uit tegen verdere integratie, tegen de begrotingsunie, de bankenunie en de mogelijkheid van eurobonds. Wel zijn ze voorstander van het voltooien van de interne markt. De ECB moet zich niet bezighouden met werkgelegenheid, dat is een verantwoordelijkheid van de lidstaten. Die lidstaten moeten zich wel aan de 3% begrotingsnorm houden. 

50Plus is de minst eurosceptische van de drie: de partij "is niet tegen de Europese Unie", maar kiest naar eigen zeggen "voor een praktische, realistische en kritische aanpak." Ze spreekt zich niet uit over de nieuwe ontwikkelingen zoals de bankenunie en begrotingsunie. Wel vindt zij dat landen uit de eurozone zouden moeten kunnen vertrekken. Ze combineert dit met rechtse standpunten: de interne markt moet verder worden uitgebreid, ook juist naar digitale communicatie; er mag geen Europese belasting komen; en de 3% norm moet worden gehandhaafd. Als oplossing voor de werkgelegenheid wil de partij tandembanen invoeren waarbij jongeren en ouderen samenwerken.

4.

 Minder markt, meer Europa

Twee partijen spreken zich uit voor meer Europa maar willen dat de Europese Unie zich in sociale richting ontwikkelt: GroenLinks en de PvdA.

De Europese Unie is voor deze twee partijen geen abstracte instantie, zoals de PvdA schrijft: "de Europese Unie [draait] niet om “Brussel”, maar staat voor 28 landen en 500 miljoen mensen die – ondanks tegenslagen – een aantal kernwaarden met elkaar delen, over grenzen heen. Europa: dat zijn wij zelf."

Beide partijen spreken zich uit voor het voortbestaan van de euro, voor de begrotingsunie, de bankenunie en de mogelijkheid van Europese obligaties.

De twee partijen kiezen voor linkse oplossingen. De partijen willen niet dat nieuwe economische sectoren geliberaliseerd worden. Bovendien moeten er grenzen aan de vrije markt gesteld worden: een Europees minimumloon, Europese minimumtarieven voor vennootschapsbelasting. GroenLinks wil daarnaast een belasting op speculatie invoeren. GroenLinks spreekt zich bovendien sterker dan de PvdA uit tegen de 3% norm. Beide partijen willen meer flexibiliteit in de begrotingsregels, maar GroenLinks wil meer investeringen in werkgelegenheid en duurzaamheid toestaan.

Om de werkloosheid aan te pakken moeten zowel de Europese Commissie als de Europese Centrale Bank werkgelegenheid opnemen in de doelstellingen van hun economische politiek. Dit uit zich bij de PvdA in een 5% werkloosheidsnorm, maar verder bevat het programma weinig concrete maatregelen om in Europa de werkgelegenheid te vergroten. GroenLinks zoekt de oplossing, net als de PvdD boven in een groene belastingverschuiving (van arbeid naar milieu en vermogen).

Het meest radicale verschil tussen de twee partijen is dat GroenLinks voorstander is van een stabiliseringsfonds waar landen die sterk groeien bijdragen aan investeringen in landen die er economisch zwakker voorstaan. Hiermee worden de economische onevenwichtigheden die de reden waren voor de crisis uit gevlakt. Hiermee is GroenLinks de grootste voorstander van een 'transferunie', iets wat juist de meeste andere partijen als doembeeld schetsen. GroenLinks ziet dit als de enige oplossing voor de crisis, zoals GroenLinks schrijft: "Het is nu hoog tijd de weeffouten in het systeem te herstellen. GroenLinks wil dat Europa democratischer, groener en socialer uit de crisis komt."

5.

 Vier oplossingen

De verschillende partijen schetsen verschillende uitwegen uit de crisis. De VVD, D66 en het CDA onderschrijven de oplossingen van de huidige Europese Commissie: een voltooide interne markt voor alle Europeanen en strikt begrotingstoezicht en economische hervormingen in landen die er slecht voor staan.

De SP en de PvdD staan hier tegenover: zij zien minder in de oplossingen van de Europese Commissie en het overdragen van bevoegdheden maar willen wel Europese oplossingen zoals Europese normen voor belastingen (SP) en het minimumloon (PvdD).

Volgens de PVV, de ChristenUnie en 50Plus komt de verlossing niet uit Brussel. Hooguit komt hier een gezamenlijke markt vandaan waar Nederlandse bedrijven banen en welvaart kunnen creëren.

GroenLinks en de PvdA, ten slotte, staan voor meer Europa maar wel op een sociale manier. De Europese Unie kan begrotingen beoordelen zolang er ook maar oog is voor de sociale aspecten, zoals voldoende werk.

Op 22 mei is er dus serieus wat te kiezen: gaan we voor een sterkere Europese Unie die ook een economisch bestuur vormt of een pas op de plaats in integratie of zelfs een stap uit de Unie. Maar ook waar zet die sterkere Unie zich voor in? Voor een voltooide vrije markt? Of voor een Europa dat minimumnormen op het vlak van belastingen en lonen verzekerd?

Simon Otjes werkt als onderzoeker bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Daarnaast was hij in 2013 secretaris van de Europese programmacommissie van GroenLinks.

Deze bijdrage verscheen in 'De Hofvijver' nr. 42, d.d. 19 mei 2014.